Meer steun nodig voor verbod landmijnen ; ICBL: nog geen definitief succes

ROTTERDAM, 10 OKT. De Internationale Campagne voor het Uitbannen van Landmijnen (ICBL), met de Amerikaanse Jody Williams als coördinator, kon zich al tot één van de succesvolste non-gouvernementele organisaties rekenen, voordat zij vanochtend tot winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede werd uitgeroepen.

Begonnen in 1992 zag de beweging binnen vijf jaar, vorige maand in Oslo, haar - voorlopige - doel verwezenlijkt: daar namen meer dan negentig landen na een conferentie van achttien dagen een ontwerpverdrag aan voor een algeheel verbod op landmijnen. Naar schatting 26.000 mensen, voor tachtig procent burgers, komen jaarlijks om het leven door landmijnen.

De vorige maand verongelukte prinses Diana en de Canadese minister van Buitenlandse Zaken, Lloyd Axworthy, waren wellicht de beroemdste of bekendste gangmakers achter het verdrag, waarvan de totstandkoming in de diplomatieke wandelgangen “het Ottawa-proces” was gaan heten. Maar achter de schermen en veelal buiten het bereik van de televisiecamera's was ook de ICBL, met de Verenigde Staten als thuisbasis, een gedreven pleitbezorger, met grote internationale vertakkingen. Door de dood van Diana kreeg de campagne plotseling grote internationale aandacht.

De ICBL - de vijftiende internationale organisatie die de Nobelprijs voor de Vrede gewonnen heeft, wordt gecoördineerd door een comité van negen organisaties. Zij begon in 1992 met een handvol organisaties en telt nu wereldwijd meer dan 1.000 groepen, die in zo'n 55 landen campagne voeren tegen landmijnen. Het gaat hierbij om mensenrechten-, humanitaire-, vredes-, veteranen-, kinder-, ontwikkelings-, wapenbeheersings-, milieu-, vrouwen-, religieuze en medische groepen. Hun actieradius varieert van lokaal tot internationaal niveau. In 64 landen over de hele wereld liggen ruim 110 miljoen niet geëxplodeerde landmijnen, met Afghanistan en Angola als meest getroffen landen.

Coördinator Jody Williams zei vanochtend tegen CNN dat zij hoopt dat de toekenning van de prijs belangrijke landen over de streep zal trekken die nog niet hebben toegezegd het verdrag in december te zullen tekenen. Ook het comité dat de prijs uitreikt, hoopt op een dergelijk uitstralingseffect. “Dat is waar de mensheid om vraagt”, zei Williams vanochtend.

Maar haar oproep en de bedoeling van de jury van de Nobelprijs lijken vooralsnog weinig kans te maken. En dat geeft meteen ook enigszins de relativiteit van het verdrag en daarmee van de vanochtend toegekende prijs aan. Met het verdrag van Oslo hebben de ICBL, voorzover zij concrete invloed heeft uitgeoefend, en alle andere aanhangers slechts de halve 'buit' binnengehaald: belangrijke landen als de VS, Rusland, China, de beide Korea's, de meeste landen in het Midden-Oosten, India en Pakistan willen zich niet aan het verdrag binden. Rusland en China namen niet eens deel aan de onderhandelingen.

De VS, die zich de laatste jaren als grote advocaat van de campagne opwierpen, konden zich in Olso niet in de verdragstekst vinden. De Amerikanen wilden onder meer een uitzondering maken voor de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Korea. President Clinton zei dat hij Amerikaanse soldaten, die daar zijn gelegerd, in gevaar brengt door het verdrag wel te tekenen. Ook in het Congres bestaan grote bezwaren omdat China en Rusland zich niet hebben aangesloten.

Daar doet een telefoontje van Nobelprijs-winnaar Williams naar president Clinton, dat zij vanochtend aankondigde, weinig aan af. Misschien kan ze beter de invloedrijke Republikeinse senator Jesse Helms bellen. Hij is rabiaat tegen deelname aan het verdrag. Even afgezien van de opstelling van andere landen, de Republikeinen hebben de sleutel van veel Amerikaanse en internationale politieke successen in handen, en zij bepalen ook het definitieve succes van de ICBL.