Kamer stelt stemming over 'jachtwet' uit

DEN HAAG, 10 OKT. Waarschijnlijk voor het eerst in de honderdvijftigjarige geschiedenis van de Nederlandse parlementaire democratie heeft de Tweede Kamer gisteren een stemming over een wetsvoorstel afgebroken.

Dit gebeurde bij de stemming over de Flora- en Faunawet naar aanleiding van een amendement van D66'er Van den Bos over de 'intrinsieke waarde van het dier'. Na stemming bleken er evenveel voor- als tegenstanders van het wijzigingsvoorstel.

Kamervoorzitter Bukman begon met een reguliere stemming, maar werd door de griffie gecorrigeerd. “Oh, het moet een hoofdelijke stemming worden”, mompelde Bukman. Bij een hoofdelijke stemming worden de namen van de Kamerleden op alfabetische volgorde afgeroepen.

GroenLinks-voorman Rosenmöller en zijn collega Rabbae werden tijdens de stemming nog in allerijl uit een vergadering geplukt. Partijgenote Sipkes voegde zich na de stemming bij voorzitter Bukman om aan te geven dat zij “nadrukkelijk de presentielijst had getekend”. Haar naam was echter niet omgeroepen, maar Bukman toonde zich flexibel en Sipkes mocht alsnog een stem uitbrengen. Enkele PvdA'ers bleken te laat te zijn om de lijst te tekenen en mochten niet stemmen. Een andere sociaal-democraat kwam net te laat, zijn naam was al opgelezen.

Uiteindelijk staakten de stemmen op Van den Bos' amendement bij zestig tegen zestig. Reden voor Bukman om, met goedkeuring van de Kamer, de stemming in zijn geheel uit te stellen tot na het herfstreces. Amendement 120 was immers “van cruciaal belang voor de definitie in de wet en derhalve ook voor veel andere amendementen”, meende Bukman.

Van den Bos legde het amendement uit: “De intrinsieke waarde van een dier, oftewel het welzijn van het individuele dier, moet in de wetsartikelen worden opgenomen. Dat wil zeggen dat iedere keer dat er een rechterlijke uitspraak in het kader van de Flora- en Faunawet gedaan wordt, de belangen van het individuele dier moeten worden meegewogen. Daarom wilde ik het niet in de considerans (de uitleg van de wet) hebben, dat geeft een wetsartikel alleen maar kleur.”

VVD en CDA meenden dat met het amendement van Van den Bos de basis onder de zogenoemde wildlijst uitgeslagen wordt, de (verkorte) lijst van nog vrij te bejagen dieren. En dat lijkt logisch, erkende de D66'er. “Als bij ieder schot de intrinsieke waarde van het dier in acht moet worden genomen, kan er in principe geen vrij bejaagbare soort overblijven”. Maar er zijn uitwegen die de handhaving van een wildlijst wel mogelijk maken, meent hij.

De jacht mag alleen plaatsvinden als er een goede reden voor is. Zo'n reden kan bijvoorbeeld 'benutting' zijn. Onder meer VVD en CDA pleitten daarvoor. “Op het moment dat benutting geaccepteerd wordt als goede reden om te jagen, dan kan de wildlijst alsnog doorgang vinden”, aldus Van den Bos. Dat verklaarde ook waarom de D66-fractie in zijn geheel voor het amendement van hun partijgenoot stemde, terwijl vier van de 24 Democratische Kamerleden voor een wildlijst zijn.

Maar volgens Van den Bos ging het de Kamerleden bij de stemming minder om de inhoud van zijn amendement dan om te laten zien of zij voor of tegen de jacht waren. De partijen die voor stemden toonden zich tegen een vrije jacht, degenen die tegen stemden juist voor. “Toch curieus”, meende Van den Bos. “De partijen hebben verregaande conclusies verbonden aan een amendement dat voor zowel de voor- als tegenstanders van de jacht genoeg ruimte laat.”