Groningen gaat meer toezien op gebruik archief

GRONINGEN, 10 OKT. De gemeente Groningen gaat de regels voor inzage in jong archiefmateriaal en de controle daarop aanscherpen. Dit gebeurt, nadat de journalist J. van Gelder uit Groningen in zijn onlangs in eigen beheer uitgegeven boek 'De Papieren Oorlog' integrale lijsten publiceerde met 3.000 namen van Groningers die verdacht werden van collaboratie en van lidmaatschap van een Duitse organisatie.

De lijst werd na de oorlog opgesteld door de Politieke Recherche Afdeling. Van Gelder kon de lijst inzien na een fout van een medewerker van het Groninger gemeentearchief, geeft directeur F. van den Broek toe. “Een verhuissticker was over het woord 'vertrouwelijk' geplakt, zodat niet duidelijk was dat van een niet-openbaar stuk sprake was. Een hele onbenullige fout.” Volgens de gemeente Groningen hield de auteur zich echter niet aan de voorwaarden die gelden voor inzage in deze archieven. Hij zou zich in een ondertekende verklaring hebben verplicht niets te publiceren wat de persoonlijke levenssfeer kan beschadigen, geen fotokopieën te maken of gegevens openbaar te maken van archiefstukken zonder toestemming van de archivaris. Tevens zou hij zich hebben verplicht de te publiceren tekst vooraf voor te leggen aan de gemeentearchivaris.

“Van een integrale publicatie van naamlijsten zou dan in het geheel geen sprake zijn geweest”, aldus de gemeente. Van den Broek: “We gaan zorgvuldiger controleren als mensen stukken ter inzage willen die niet openbaar zijn.” De gemeente betreurt dat privacygevoelige informatie in de openbaarheid is gekomen en vindt dat de auteur onzorgvuldig heeft gehandeld.

Het lidmaatschap van de SS of NSB werd voor sommige personen op de lijst gebruikt als dekmantel voor verzetsactiviteiten. Zo staat F. Groen op de lijst, een verzetsvrouw die het leven redde van een 4-jarig joods jongetje door hem uit het ziekenhuis in Groningen te smokkelen. Van Gelder: “Dit is een lijst van de PRA, niet van mij, Als er fouten zijn gemaakt door Groen op de lijst te zetten is dat mijn verantwoordelijkheid niet.” Het is volgens hem ook mogelijk dat ze overtuigd lid was van de SS en bij toeval het leven redde van het kind. Van Gelder verklaart dat hij alleen getekend heeft voor inzage in het politiedossier. “Niet voor het archief van de gemeentesecretarie, waar de lijsten lagen en dat openbaar is. De gemeente wil haar fout verdoezelen.”

Van den Broek geeft toe dat Van Gelder formeel gelijk heeft, aangezien het archief een fout maakte. “Maar hij gaat over de schreef met deze publicatie. De eer en goede naam van personen en hun nabestaanden wordt aangetast. Daar heb ik geen goed woord voor over.” Van Gelder vindt dat hij op deze wijze “feitelijk” beschrijft hoe de Groningse joden uit de stad zijn gedeporteerd met medewerking van de politie, de gemeente en de burgers. Aan eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zegt hij “geen boodschap” te hebben.

“Deze zaak is een tegenhanger van de lijst met 3064 namen van joden die zijn weggevoerd. Dat houdt de zaak in evenwicht.”