Fatale goede trouw; Verkeerde voorstellingen van Indië

Het Indische verleden wordt, zelfs in de interpretaties van specialisten, veranderd in iets dat nooit bestaan heeft. 'Het lied en de waarheid' van Helga Ruebsamen en een Indische vacantiefilm uit 1924 doen Rudy Kousbroek terugdenken aan de Indische wereld van lang geleden: 'Hoe het voelde om daar en toen te leven; gevoelens die nu bijna niemand meer kent, die je aan niemand meer duidelijk kunt maken.'

Helga Ruebsamen, Het lied en de waarheid, Contact 1997 Peter Delpeut, Cinéma perdu. De eerste dertig jaar van de film 1895-1925, Boekje + videocassette. Bas Lubberhuizen 1997. De twee films waarnaar wordt verwezen zijn Gordel van Samaragd en Paradise Road

In Het lied en de waarheid van Helga Ruebsamen kwam ik de regels tegen: 'Olipan Olipan is een beest met peel perstan en wie seh en wie seh dat dat beest geen eier leh?' Mijn hart sloeg een klop over. Ik herinner het mij een beetje anders; mijn versie (de enig juiste) luidt: 'Olipan, olipan, hij een bees met groot perstan; jammer seh, jammer seh, dat die bees heen eier leh,' en er was bovendien een soort refrein dat er achteraan kwam: 'Tak'mbloem, tak'mbloem, tak'mbloem!'

Ach, daar had ik wel een halve eeuw niet meer aan gedacht; het herinneren bracht een stroom associaties mee, aan de Indische wereld van vijftig jaar geleden of nog langer: de lagere school, vóór de oorlog. Hoe het voelde om daar en toen te leven; gevoelens die nu bijna niemand meer kent, die je aan niemand meer duidelijk kunt maken, zomin als de juiste klank van de woorden, een paar regels verder: 'Schiet wel, maar mis.'

Zoiets zou een teken van verstandhouding kunnen zijn, bestemd voor mede-ingewijden ('alleen wij weten hoe dat klonk'), maar dat is het niet; het staat daar zonder bijbedoelingen, het is gewoon het spreken van de herinnering.

Dat is het bijzondere van dit boek, de ongekunsteldheid waarmee het vertelt over iets dat nu bijna totaal met kunstmatigheid bedekt is: de zogenaamde 'Indische identiteit'. Het is een terrein waar bijna iedere argeloosheid van is verdwenen; de Indische identiteit is iets geworden dat wordt uitgelegd aan buitenstaanders, gekoesterd, bestudeerd, geïnterpreteerd, iets dat selectief wordt opgeëist en aan anderen betwist. Het heeft zich ook onthuld als erfelijk, iets dat overgaat van generatie op generatie, waarvan als ik me niet vergis nu zelfs de vierde zich al aandient. Een essentie voor mensen die al lang geen voorstelling meer hebben van de oorspronkelijke belevingswereld, of nog erger: een verkeerde voorstelling.

Hoe ziet een 'specialist' anno 1997 het Indische verleden? Kortgeleden kreeg ik een onverwacht inzicht in deze vraag, in de vorm van een brief waarin een docent aan een Hogeschool, Vakgroep Geschiedenis, uiteenzet hoe hij voor zijn studenten de beelden interpreteert van de videoband Tempo Doeloe I van het Nederlands Filmarchief ('Oude filmbeelden van Nederlands-Indië 1910-1915', waarover ik hier een paar maanden geleden heb geschreven). De meest frappante vergissing is dat hij de dames daarin voor Indo's aanziet omdat zij sarong-kabaja dragen, iets dat in die tijd voor Hollandse vrouwen heel gebruikelijk was. Welke gedaante zulke beelden voor een buitenstaander kunnen hebben blijkt wanneer een banale opname, even later, van een mevrouw in een tuin, geïnterpreteerd wordt als 'dicht bij de natuur van het land'.

Daarna is te zien hoe een Hollandse huisvrouw de ingrediënten voor de te bereiden maaltijd inspecteert en instructies geeft aan het keukenpersoneel; datgebeurt op een zonderlinge manier niet in de spen (bijkeuken) of de keuken, je ziet ze staan schutteren onder het afdak, ongetwijfeld omdat er binnen niet genoeg licht was om bij te filmen. Het blonde nakroost van de dame staat er ongemakkelijk bij. Maar voor de Vakgroep Geschiedenis anno 1997 wordt het een betekeniszwanger tafereel: '... we zien hoe zij zich bemoeit met een bediendenpaar bij het bereiden van het voedsel, waarbij ze haar kinderen nauw betrekt. Kortom de Indo-Europese moeder bevordert de band tussen haar kinderen en de Indonesische natuur en cultuur.'

Juist het feit dat zulke interpretaties in kennelijke goede trouw worden gemaakt doet mij de wanhoop om het hart slaan. Het herinnert mij aan de gemoderniseerde ('hertaalde') versie van De Katjangs van J.B. Schuil, waarin een of andere tekstbewerkster doodgemoedereerd van de Indo's die in het boek voorkomen Indonesiërs heeft gemaakt. Ook te goeder trouw, ze wist het verschil niet, of vond het te verwaarlozen, of ze vond het niet politiek correct. Het roept het beeld op van de bijrijder op een motorfiets die zijn jas achterstevoren had aangedaan vanwege de kou. Hij was er afgevallen en de boeren vertelden dat zijn kop verkeerd zat toen ze hem vonden. Hij had nog tekenen van leven gegeven, maar niet meer nadat ze zijn hoofd weer in de juiste stand hadden gedraaid.

Het onontkoombare vooruitzicht is dat het Indische verleden verandert in iets dat nooit bestaan heeft, getrivialiseerd als gevolg van moderne speelfilms (er zijn er net weer twee bijgekomen: ik durf ze nauwelijks te gaan zien), vertekend door vakhistorici met tunnelvisie en uit Amerika overgewaaide modes voor 'roots', voor slachtofferschap, verongelijktheid en political correctness. Fataal in combinatie met de Nederlandse weerloosheid tegen trends en modes, die diepgewortelde behoefte om alles na te volgen dat uit Amerika komt; de kop rechtgedraaid maar daarna geen tekenen van leven meer gevend. Het bevestigt wat wel meer is geschreven: dat de manier waarop waarheden van generatie tot generatie worden overgebracht is veranderd, en een intellectueel klimaat is ontstaan waarin geen feit, geen gebeurtenis en geen aspect van het verleden enige vaste betekenis of inhoud meer heeft.

Dat verklaart hoe ook documenten uit de tijd zelf aanleiding kunnen geven tot onjuiste interpretaties. Kortgeleden zag ik een werkelijk schitterende amateurfilm uit 1924 over een Indische reis en werd daarbij aanhoudend gehinderd door de vraag wat daarin zich zou kunnen lenen tot verkeerde interpretaties. Het gaat om een soort onvermogen om hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden, en het gevolg is dat je ieder beeld bekijkt met achterdocht.

Deze video is niet zoals degene waar ik eerder over schreef uitgebracht door het Nederlands Filmarchief; het is een onderdeel van de video Cinéma perdu, 'De eerste dertig jaar van de film, 1895-1925', een briljante selectie door Peter Delpeut uit de archieven van het Nederlands filmmuseum. Er staat nog veel meer op die band, bijvoorbeeld een aandoenlijk filmpje over een bokswedstrijd in Frankrijk in 1921, en er is ook een boekje bij, maar ik bepaal mij hier tot die Indische vacantiefilm uit 1924: onvergetelijk. Het is de gedocumenteerde reis door Java en Sumatra van een Nederlands echtpaar, wier namen volgens het colofon niet meer te achterhalen zijn (hoewel er, zou ik denken, aanknopingspunten moeten zijn met het in de film voorkomende makelaarskantoor Chr. Schmidt & Co in Batavia).

Naast mooie, duidelijke beelden van Batavia, Semarang en Soerabaja komen in dat filmpje ook opnamen van Medan voor, die mij in beroering brachten omdat ik er, hoewel het van lang vóór mijn tijd is, veel op herken, zoals het gebouw van de Javasche Bank, op de Esplanade, met het torentje van Tjong A Fie, en Boekhandel Varekamp op de Kesawan, met nog net leesbaar de woorden 'Deli Courant' op de pui. Maar een van de dingen die mij het hevigst trof was dat aan het eind van de film nog even getoond wordt hoe het echtpaar weer in Nederland terug is; je ziet ze op de strandboulevard van Scheveningen, kil, koud, er ligt sneeuw, ze staan bol van de winterkleren.

Wie, die in Indië is opgegroeid, kan daarnaar kijken zonder van streek te raken? Het is, dat stond me opeens weer heel duidelijk voor de geest, een sleutelemotie: de zon en de warmte van Indië, daar heb je nooit bij stilgestaan terwijl je er was, zeker niet als kind. Het is pas wanneer je kennis maakt met de kou dat je je er met terugwerkende kracht van bewust wordt. Het moment van aankomst in Holland, zoals beschreven door Paula Gomes in Soedah laat maar, dat zij in de zon gaat staan omdat zij het koud heeft, en noteert dat zij voor het eerst van haar leven in zonlicht staat dat geen warmte geeft.

In Helga Ruebsaemens boek wordt het beschreven in het aangrijpende elfde hoofdstuk over het afscheid van Indië: 'Alles wat ik had gekend werd gaandeweg haast onmerkbaar dunner en minder. Ten slotte was het weg, zonder een spoor te hebben nagelaten... Warmte en tropengeuren had ik vanzelfsprekend meegedragen, alsof zij extra zintuigen van mij waren... Het was niet zo dat ik op een dag wakker werd en ogenblikkelijk merkte dat ik mijn speciale zintuigen kwijt was. Het gemis deelde zich langzaam mee. Ik kon zien, horen, praten en voelen, net zoals anders... Pas toen ik me op een bepaald moment wilde terugtrekken in mijn warme omhulsel, altijd even vertrouwd aanwezig als mijn ogen en handen, merkte ik dat ik niets meer had om me in terug te trekken, dat ik van mijn huid was ontdaan... Iets wat vanzelfsprekend was, iets waarvan je dacht dat het bij jou hoorde en onvervreemdbaar was, bleek toch te kunnen verdwijnen. De warmte was weg.' Het is misschien niet gepast om zoveel te citeren, maar het beschrijft zo goed het gevoel van verlies (zoals ik niet hoef te zeggen is het allemaal ook hevig symbolisch), en het maakt ook zo glashelder dat wat ik maar zal aanduiden als de erfelijke variant van de Indische identiteit hier geen benul van heeft, dat ik er nog even mee doorga: 'Daarvoor in de plaats was die koude gekomen, maar eigenlijk niet, want koude bestond immers niet, het was juist iets wat er pijnlijk niet was, een gemene leegte, die door ons moest worden gevuld. Met bloed, vlees en adem, met ons leven. Alles werd geëist door deze nieuwe, afwezige god, die ons op afstand regeerde. Alles eiste hij van ons, niet ineens, maar druppel voor druppel, zucht na zucht. Wij konden ons niet verweren. Het omhulsel, de warmte, de koestering, de geuren, het verdween allemaal in zijn muil, stukje bij beetje.'