ENGELAND

XV

Mei met zijn lichte werking Wekt vaten, voeten, oog;

Wie eenzaam is of droef Begint weer op te leven

De zwaan-verrukkende rivier Lokt zorgeloze picknicks

Het levend wit en rood.

In hun beschutting afgedekt

De doden liggen ver; maar wij

Zijn losgebroken uit de vage

Wouden waar kinderen samenkomen

En engel-vampiers fladderen wit;

Wij staan met duistre ogen

De gevaarlijke appel gepakt.

Ons wacht de echte wereld

Dierlijke driften van de jeugd

Het alom heersend doodsverlangen

Bevredigden, gekwelden;

De meester stervend in de ring

Van zijn bewonderaars;

Onrecht regeert de aarde.

En liefde die beroering brengt

Bij schildpad en bij ree, en blond

Tezaam met donker legt

Stuwt sneller voort ons bloed;

In het licht van kwaad en goed

Hoe ontoereikend is Het lieve woord, de blik.

Titel oorspronkelijk gedicht:XV Dichter: W.H. Auden (1907 - 1973)