Een halve eeuw magistraal ontwerpfanatisme

Frederike Huygen, Hugues Boekraad: Wim Crouwel - mode en module Uitgeverij 010. ƒ 65,-

Zeven jaar geleden startte Frederike Huygen, destijds conservatrice toegepaste kunst van het museum Boijmans-Van Beuningen, het werk voor de monografie over Wim Crouwel. Het boek was gepland voor 1994, het jaar waarin Crouwel afscheid zou nemen als directeur van dat museum. Met auteurs als Huygen zelf en Hugues Boekraad, en een ontwerper als Karel Martens - later bijgestaan door Jaap van Triest - waren de verwachtingen hooggespannen. Helaas, het boek was niet op tijd klaar. Er volgden jaren van trammelant, vertraging, geschillen, tegenslagen, zelfs tegenwerking. Kortom, uitstel op uitstel. Maar opeens is het er nu toch.

Crouweliaans in de zin van rank en beknopt is dit boek niet geworden. Integendeel, Wim Crouwel - mode en module is een machtige pil. Vierhonderd dichtbedrukte pagina's op zwaar, soepel papier, een woud van woorden geperst in kolommen of blokken, op pagina's zonder noemenswaardige bladmarges, de hoofdtekst in een vette zwarte letter (of grijs voor citaten), de bijschriften en tekstnoten in een kleiner corps letter, de nootjes achter de tekstnoten nog weer een slagje kleiner.

De eerste helft van het boek, met teksten van Frederike Huygen en Hugues Boekraad, is doorspekt met zwartwit afbeeldingen die soms zijn ingezet als aanvulling op de tekst: hele manifesten, krantenartikelen, toespraken, ja zelfs een catalogus zijn op deze manier integraal en nog net leesbaar afgebeeld.

De tweede helft van het boek bevat zo mogelijk nog meer beeld, maar nu in kleur. Een kleine duizend illustraties ondersteunen de oeuvrecatalogus, samengesteld door Hester Wolters, een Sisyfuswerk van 1600 nummers. Op volledigheid maakt dit overzicht van een halve eeuw werk geen aanspraak, al was het alleen maar omdat Crouwel onverstoorbaar voortgaat met produceren.

Aan Crouwel kan uitstekend een overzicht van het naoorlogse ontwerpen in Nederland worden verbonden. Hij vertegenwoordigt verschillende specialisaties binnen het vak. Het vormgeven van ruimte begint bij Crouwel al bij zijn eigen territorium. Een foto in het boek toont zijn jongenskamer in het ouderlijk huis, een compromisloze lichte enclave, waarin zijn zusje Annie - bloemenjurk met pofmouwtjes, witte sokjes en een strik in het haar - in alle argeloosheid een stijlbreuk veroorzaakt.

Een interessant onderdeel van het boek is de inventarisatie van zijn tentoonstellingsontwerpen, een vergankelijk product, waarvan in sommige gevallen niets anders restte dan een mondelinge getuigenis. Huygen staat bewonderend stil bij Crouwels ontwerp voor het Nederlandse paviljoen op Expo '70, de wereldtentoonstelling in Japan (Osaka, 1970). Anderen zullen zich zijn meer recente inrichting herinneren van De Verboden Stad in Museum Boijmans-van Beuningen (1990). Huygen laat zien dat Crouwels tentoonstellingsontwerpen niet gebaseerd zijn op een overmatige originaliteit, maar steeds berusten op een strakke organisatie en een feilloos gevoel voor dramatiek.

Ook Crouwels grafisch werk berust in de eerste plaats op perfecte organisatie. Zijn betekenis voor de grafische wereld kan moeilijk worden overschat, alleen al omdat hij met zijn optreden en uitstraling voor veel mensen het vak bevrijdde van het kunstenaarsimago.

Crouwel liet zich al vroeg kennen als representant van de 'Zwitserse school', een stroming in het ontwerpen die vooral vanuit Zwitserland gevoed werd, en die wortels had in de Nieuwe Zakelijkheid. In de loop van de jaren zestig zou deze uitgroeien tot een internationale, neutrale ontwerpstijl. Een kenmerkend dogma was de 'objectieve communicatie': de ontwerper moest uit het ontwerp worden gebannen. Typerend is ook de nadruk op rationalisatie, standaardisatie en rantsoenering van de expressiemiddelen. Ook Crouwels werk zou worden beheerst door schreeflozen, ontwerpstramienen, effen kleurvlakken. Frappant is dat hij in aanraking kwam met deze opvattingen - wel eens omschreven als het geheime verbond tussen ontwerpers en de grafische industrie - tijdens de voorbereidingen van een met Marshall-geld betaalde tentoonstelling over productiviteitsopvoering. De stijl van de Zwitserse school is onlosmakelijk verbonden met de schaalvergroting die het ontwerpen in deze jaren internationaal zou doormaken. Crouwel nam hierin voor Nederland het voortouw, als mede-oprichter - naast Paul en Dick Schwarz, Friso Kramer en Benno Wissing - van Total Design, het eerste multidisciplinaire ontwerpbureau in Nederland. Als partner van dit bureau waaraan hij twintig jaar verbonden bleef en gaandeweg mee werd geïdentificeerd, kreeg Crouwel een gezaghebbende positie. Hij werd beschouwd als een geslaagde zakenman en een gelijkwaardige gesprekspartner voor zijn opdrachtgevers. Een grondige geschiedenis van dit bureau is eveneens opgenomen in het boek.

Tot de belangrijkste voorwaarden voor de schaalvergroting van het vak rekent Boekraad in deze monografie de veranderingen in de openbare communicatievormen van de jaren zestig. Boekraad geeft hiervan een trefzekere analyse. Crouwel ondervond de gevolgen van deze groeiende openbaarheid ook op andere manieren, bijvoorbeeld in 1979 in de vorm van de discussie over de 'Nieuwe Lelijkheid' waarmee Tamar lezers van Vrij Nederland bestookte. Haar aanvallen keerden zich onder andere tegen het schreefloze telefoonboek (Crouwel/Jolijn van de Wouw, 1977) en tegen overheidslogo's uit de koker van TD, waaronder een reeks verkwanselde gemeentewapens die ook vandaag nog treurig stemt. Zelf hield Crouwel de discussie liever binnen het vak. In 1967 lanceerde hij zijn controversiële letterontwerp New Alphabet, een letter met sculpturale kwaliteiten, leesbaar voor computers. De gebruikswaarde van dit lettertype - 'een van de weinige lettertypen in de wereld waarvoor ondertiteling vereist is', aldus Piet Schreuders - was echter beperkt, en Crouwels critici verweten hem dat hij de mens ondergeschikt had gemaakt aan de machine. Als signaal van toekomstige technische veranderingen was het voorstel echter niet misplaats.

Crouwel, die bekend staat als een vriendelijke diplomaat en magistrale netwerker, krijgt in zijn monografie menselijke trekken, juist door de smakelijke staaltjes van ontwerpfanatisme die er worden opgedist. Hij ontzag zich niet zijn eigen persoon in de strijd te gooien, zoals te zien is in de grote hoeveelheid portretten in het boek. Het is een catalogus binnen de catalogus, deze registraties van steeds maar evoluerende haardrachten, oogopslagen, poses, vlinderdassen, herenkostuums, schoeisel en laarzen, culminerend in de Avenue-reportage van Crouwel als model voor de 'total look', een collectie unisex space kleding van Alice Edeling. Een verrijking vormt ook de wereldse parade die door het boek trekt, de teamgenoten, hoogwaardigheidsbekleders, kunstenaars, collega's, modekoningen, inspiratiebronnen, opdrachtgevers. Turmac-hostessen, Randstad-meisjes, Pam-pin ups, benevens gelukkig nog wat niet-ontworpen passanten en familieleden.

Terwijl de lezer zich op de zesde pagina toch al geheel vertrouwd heeft gemaakt met de gedachte dat dit boek over Crouwel zal gaan, begint Hugues Boekraad daar een lange verhandeling over de monografie die Anna Blaman na haar dood ten deel viel. 'De parallel is evident', aldus Boekraad, 'de opbouw van dit boek berust op eenzelfde scheiding van persoon en leven aan de ene kant en het oeuvre aan de andere kant.' Evident of niet, als openingszet is deze omtrekkende beweging minder gelukkig. Niettemin is Boekraad zich als geen ander bewust van de lacunes in de Nederlandse ontwerpliteratuur. Juist om deze reden lijkt hij zich in dit boek verre te willen houden van wat lezers van een conventionele biografie verwachten. Boekraad doet waar hij nu eenmaal goed in is, hij prikt een aantal hardnekkige mythes door. Daarnaast verricht hij pionierswerk door een geëigend onderzoeksmodel voor grafische fenomenen aan te reiken en te toetsen. Terwijl hij de lezer daarmee inzicht in de fenomenen Crouwel en monografie verschaft, onthoudt hij hem ook iets, namelijk een visie op het grafisch niveau van de afzonderlijke werkstukken, zoals die er voor het ruimtelijk werk wél is. De oeuvrelijst mist daarmee een basis, en tussen Huygen en Boekraad schort het aan overeenstemming. Het boek kent trouwens meer autonome elementen. Het biografisch overzicht bijvoorbeeld, waarin een eindeloze opsomming van Crouwels (neven)functies zonder commentaar is afgedrukt, tezamen met karakteristieke uitspraken van hem. De uitsmijter: 'Ik ben blij dat ik dit boek niet maak', illustreert hoe zelfbewust de samenstellers van dit boek zich opstellen. Ze komen elk tot topprestaties, maar lijken het van elkaar nauwelijks te weten.

Crouwel - mode en module is een intrigrerende, soms weerbarstige uitgave en door zijn zucht naar volledigheid en zijn poging om nieuwe wegen in te slaan, een boek van zeldzame klasse. Het leent zich niet voor eenduidig gebruik, evenmin als voor een eenduidige kwalificatie. Maar met een beetje geluk zal het een nieuwe wending geven aan de literatuur die het ontwerpvak hopelijk in Nederland nog ten deel zal vallen.