De oogst van onze eeuw

Vladimir Nabokov: Speak, Memory, 1951

Op een julidag omstreeks 1910 loopt een jongen een wondermooi moerasgebied in de buurt van zijn vaders buitenhuis bij Sint Petersburg binnen om er vlinders te zoeken. Hij vindt de vlinders, ziet, ruikt, hoort, voelt en is gelukkig. Als hij ten slotte de overzijde van het moeras bereikt, ziet hij Ponderosa-pijnbomen en voorbijsnellende wolkenschaduwen op de bergen in de verte.

Bergen bij Sint Petersburg? Dat gebied was in 1910 net zo plat als tegenwoordig. Kan het zijn dat die bergen en pijnbomen aan de overzijde van het moeras zich eigenlijk in de Amerikaanse staat Colorado bevinden? Want daar verbleef Vladimir Nabokov ruim 35 jaar later om er vlinders te jagen en er te werken aan zijn autobiografie.

Het moet haast wel. Want de volgende zinnen luiden: 'Ik beken dat ik niet geloof in de tijd. Ik vouw mijn tovertapijt na gebruik graag zo op dat één deel van het patroon bovenop een ander komt. Laat bezoekers maar struikelen.'

De lezer-bezoeker van Speak, Memory, de in 1951 verschenen autobiografie van de schrijver-dichter-schaker-vlinderkundige Vladimir Nabokov (1899-1977), is dus uitdrukkelijk gewaarschuwd. Deze schrijver doet wat hij wil met de tijd, met de feiten en met de lezer.

Sinds Goethe begin vorige eeuw Dichtung und Wahrheit schreef, is het gewoon dat autobiografen zich afvragen wat de gebeurtenissen in hun leven betekenen. Het staat ze daartoe vrij te wegen, te schikken en te vervormen: zo krijgt elke autobiografie iets van een roman met de schrijver als hoofdpersoon. Tot 1951 hebben maar weinigen die vrijheid zo absoluut opgevat als Nabokov. Speak, Memory is zo fictioneel, dat je soms vergeet dat de hoofdpersoon en degenen over wie hij schrijft werkelijk hebben bestaan.

Nabokov wist dat zijn autobiografie en zijn fictie nauwe verwanten waren. In Speak, Memory vertelt hij hoe een vriend van zijn vader, generaal Koeropatkin, de vijfjarige Vladimir een trucje met lucifers laat zien. Vijftien jaar later komt zijn vader, op de vlucht voor de bolsjewieken in Zuid-Rusland, Koeropatkin, die vermond is als boer, opnieuw tegen. Zij herkennen elkaar pas als de generaal Nabokovs vader om vuur vraagt. 'Wat mij boeit is de ontwikkeling van het lucifer-thema', schrijft Nabokov. 'Het volgen van dergelijke thematische patronen door je leven behoort, naar mijn mening, het ware doel van een autobiografie te zijn.'

Van daaruit is het maar een kleine stap naar zijn fictie. Die kan alleen ontstaan als de schrijver zijn 'net van betekenis' uitwerpt over de ruwe grondstof van de feiten, heeft hij later gezegd. 'Het materiaal van de wereld mag dan werkelijk genoeg zijn ('as far as reality goes'), maar het bestaat niet als een geaccepteerde volledigheid. Het is chaos, en tegen deze chaos zegt de auteur: go.

Speak, Memory is behalve een autobiografie dus ook een boek over schrijven. Dat is niet verwonderlijk voor een auteur die tijdens zijn verblijf in Berlijn (van 1919 tot 1937) en daarna in Parijs en in Cambridge alleen naam had in emigrantenkringen. Hij had korte verhalen en twee romans gepubliceerd (Invitation to a Beheading en The Gift), maar toen hij zich met zijn vrouw en zoon in 1940 in Amerika vestigde, kenden daar misschien honderd mensen zijn naam, schrijft Simon Karlinsky bij een uitgave van Nabokovs briefwisseling met de criticus Edmund Wilson.

Nabokov moest daar voor zijn gevoel van voren af aan beginnen. Hij voelde zich onzeker: over zijn inkomen, over zijn beheersing van het Amerikaans-Engels en over de vraag of men zijn literaire kwaliteiten zou erkennen. Pas in 1955 kwam aan die onzekerheid een einde met de publicatie van Lolita, de roman over een verhouding tussen een volwassen man en een minderjarig meisje, die hem over de hele wereld beroemd, althans bekend zou maken.

De vijftien hoofdstukken van het in 1951 uitgebrachte Speak, Memory gaan terug op artikelen die hij - op één na - vanaf 1940 en afzonderlijk publiceerde in The New Yorker, The Atlantic Monthly en tijdschriften voor Russische ballingen. Het kan niet anders of de experimenten die hij daarin doet - met het Engels, met zijn beroemde metaforen, met thema's als het schaakspel en de liefde voor onvolwassen meisjes, en met het functioneren van zijn brein zoals het vermogen om letters en klanken met kleuren te identificeren - waren óók vingeroefeningen voor het imposante fictie-oeuvre waarmee men hem nu vooral identificeert: Lolita, Bend Sinister, Pale Fire, Ada en Pnin.

Speak, Memory werd over het algemeen goed ontvangen. 'Het gelamenteer van de balling komt er niet in voor', schreef Margaret Lane in The New Statesman, al moet zij over het hoofd hebben gezien dat de auteur zich 'het recht voorbehoudt (...) om te zuchten/ onder Amerika's luchten/ om één plaats in Rusland'. En ook verder heeft ze lof voor de herinneringen 'van een man die doelbewust zijn geheugen cultiveert om een paar gepolijste fragmenten uit het verleden te redden'.

Er waren ook klagers: Harold Nicolson schreef in the Observer dat hij liever minder motten en vlinders had gezien en meer over de politiek van pre-revolutionair Rusland en ook afgezien daarvan vond hij Nabokov maar een hooghartige man. Iets dergelijks klinkt door in een later artikel van de Amerikaanse criticus Frank Kermode, waarin hij zegt dat Nabokov weliswaar een belangrijk romancier is, maar dat de 'persoonlijkheid die over zijn werk presideert onaangenaam is', vooral omdat hij de lezer lijkt te 'minachten'.

Dat kan wezen, maar Nabokov was het toch vooral om zichzelf te doen. Speak, Memory is een poging om het 'voorgoed voorbij' van zijn jeugd voor de duur van een boek ongedaan te maken. Met een uiterste krachtsinspanning van zijn geheugen, dat hij 'de spier van de ziel' noemt, heft hij de tijd even op en trekt iets van zijn verloren geluk terug uit de afgrond. Aan het einde van het 'Gutenberg-tijdperk', waarin steeds minder mensen in brief, dagboek of autobiografie een web of sense over hun leven pogen te leggen maar gewoon de telefoon nemen en weer ophangen, is Nabokovs poging zeker zo relevant.

En er is nog iets dat zijn tijdgenoten moeilijk konden zien: het is een van de weinige boeken waarin Nabokov nog niet de hardvochtige, cynische regisseur van zijn latere romans is, maar eerder ontroerd en teder. Zijn romanpersonages heeft hij meer dan eens zijn 'galeislaven' genoemd, die hij kwelt bij hun vruchteloze pogingen te ontsnappen uit de 'gevangenis van de tijd'. Maar dat kon hij alleen doen omdat hij de figuren uit zijn autobiografie - zijn dode broer, zijn in ballingsschap gestorven moeder, zijn bij een moordaanslag omgekomen vader - eerst heeft ontketend.

'Ik beken dat ik niet geloof in de tijd' - het is een fraaie oxymoron van berusting en hoogmoed. Natuurlijk geloofde hij in de tijd. We komen uit het niets en aan het eind van ons leven verdwijnen we in het niets, zegt ons gezonde verstand. Je zou er gek van worden: op de eerste bladzijde van Speak, Memory zegt Nabokov 'weet te hebben' van een 'chronofobische jongeling', die in paniek raakt bij het zien van de filmpjes die enkele weken voor zijn geboorte zijn opgenomen. Wat hem vooral beangstigt is het zien van een 'gloednieuwe kinderwagen die daar op de veranda stond met het zelfvoldane, indringerige air van een doodkist'.

Voor de titel van zijn autobiografie speelde hij met een aantal mogelijkheden, waaronder The Person in Question (te steriel) en Speak, Mnemosyne (niet uit te spreken door Amerikanen). De eerste druk verscheen onder de titel Conclusive Evidence. Ook die titel verwierp hij, omdat die te veel aan een detective deed denken. Pas vanaf de tweede druk (in hetzelfde jaar verschenen) werd het Speak, Memory. Toch was Conclusive Evidence zo gek nog niet: met dit boek bewees Nabokov voor het eerst overtuigend dat hij wel degelijk in die lege wieg heeft gelegen.

De Nederlandse citaten zijn afkomstig uit de tweede druk van 'Geheugen, spreek', de Nederlandse vertaling van 'Speak, Memory' door M. en L. Coutinho, in 1974 verschenen bij Athenaeum - Polak & Van Gennep in Amsterdam.