De Nobelprijswinnende vrijemarkteconomen van Chicago; We hebben ons hart verpand aan de verzorgingsstaat

Ooit werd de Chicago School met de nek aangekeken om het daar heersende marktdenken. Maar tijden veranderen: de laatste jaren heeft de ene Chicago-econoom na de andere de Nobelprijs gewonnen. Ze mogen nog steeds allemaal conservatief zijn en Republikeins stemmen, niet iedere prijswinnaar gelooft onder alle omstandig- heden in de zegeningen van de vrije markt.

Als dinsdag aanstaande de Nobelprijs voor economie bekend wordt gemaakt en het mocht iemand van de Universiteit van Chicago zijn, dan zullen ingewijden niet geheel verbaasd staan. In de afgelopen zeven jaar zijn er vijf naar deze instelling gegaan. “Er zullen er ongetwijfeld nog meer volgen voor Chicago”, zegt Gary Becker, de Nobelprijswinnaar in 1992.

Is het toeval, of dankzij veel geld, dat er in de afgelopen jaren een schare goede economen is aangetrokken die gewoon slimme dingen hebben bedacht? Of steekt hier meer achter? Bestaat er misschien een wijder verband tussen de erkenning voor Chicago en de macro-economische en politieke verschijnselen, zoals bijvoorbeeld onze paarse coalitie?

Sinds haar oprichting aan het einde van de vorige eeuw heeft de Universiteit van Chicago altijd gestreefd naar academische hoogwaardigheid. Geld was voor deze privé-instelling aan de zuidkant van Chicago nooit een probleem. Op het terrein van scheikunde en natuurkunde is de universiteit altijd zeer succesvol geweest. Van de 68 Nobelprijzen die ze door de jaren heen heeft vergaard was het leeuwendeel in deze exacte wetenschappen. De bekende fysicus Enrico Fermi (Nobelprijs 1938, natuurkunde) liep er rond. Maar behalve het feit dat zowel de exacte wetenschappen als de economie-faculteit een groot aantal Nobelprijzen in de wacht hebben gesleept, hebben ze niet veel gemeen. De economie-faculteit is altijd een eigenaardig buitenbeentje geweest. Tot zo'n twintig jaar geleden werd ze vaak verguisd. In zekere zin gaat de vergelijking met Ajax goed op. Beide bedachten hun eigen systeem, speelden altijd voornamelijk met eigen kweek en behaalden uiteindelijk uitzonderlijke successen.

Gary Becker, Nobelprijswinnaar in 1992, en Robert E. Lucas Jr., winnaar in 1995, zijn zoals veel van hun collega's in Chicago opgeleid. De New York Times suggereerde dat het misschien aan het water in Chicago ligt, dat er zoveel Nobelprijzen heen gaan. En als het niet aan het water ligt, dan moet het wel aan de eigenheid van de faculteit liggen, het systeem waarmee Chicago heeft gespeeld. In het neogothische gebouw van de sociale wetenschappen op de elegante campus van de Universiteit van Chicago liggen de kamers van Becker en Lucas, beide levende legendes in de economie, slechts één verdieping van elkaar. Hier is het 'hoofdkantoor' van wat wel eens de 'Chicago School' genoemd wordt: het systeem dat door de Nobelprijswinnaars, hun voorgangers (zoals Friedman, Schultz en Stigler) en veel van hun collega's bedacht is.

Becker legt in een notendop uit wat dat gedachtegoed inhoudt: “Chicago heeft altijd voor marktdenken en rationaliteit gestaan, voor het idee dat markten efficiënter zijn dan overheden. Dat was een impopulaire gedachte in de jaren vijftig en zestig, maar met de neergang van het communisme, de privatiseringsbeweging, de Margaret Thatchers en de Ronald Reagans is bijna ieder land in de wereld verder opgeschoven naar een markteconomie. Iets daarvan kan op het conto van Chicago geschreven worden.”

Om het intellectueel economisch klimaat van de jaren vijftig en zestig in de Verenigde Staten en Europa te begrijpen moet je je realiseren, aldus Lucas, dat het zwaar gestempeld was door de economische depressie in de jaren dertig. “Toen ik in de jaren vijftig aan het promoveren was, hingen de jaren dertig als een donkere schaduw over ieder aspect van het sociale leven. Het voornaamste doel van de overheid was toen om zo'n crisis voor altijd te voorkomen - which is a damn good objective.” De overheid legt zich erop toe om via kunstmatige ingrepen de ontwikkeling van de economie te besturen. We kunnen deze kunstmatige ingrepen bij elkaar genomen beschouwen als het Keynesiaanse model voor de economie, genoemd naar de Engelse econoom John Maynard Keynes. Volgens Keynes kan de overheid door ingrepen op de monetaire markt de werking van de markt verbeteren en zo de economie repareren.

Tegen dit soort ideeën zet de Chicago School zich af. Haar voornaamste intellectuele leider, Lucas, ontving de Nobelprijs in 1995 voor het ontwikkelen van een economische theorie die rekening houdt met de 'rationele verwachtingen' van het individu. De theorie van rationele verwachtingen heeft aangetoond dat de methoden van Keynes op de lange termijn geen stand houden. “Monetair beleid,” aldus Lucas, “geeft de schijn van voorspoed. Als de inkomens stijgen door een inflatoir beleid van de centrale overheid, dan zullen de prijzen ook omhoog gaan. Het idee dat men meer geld heeft om te besteden heeft reëel invloed op het gedrag van het individu, maar die is slechts van voorbijgaande aard.”

Immers, als de overheid bij iedere economische crisis meer geld gaat bijdrukken, dan zal de consument zich op een gegeven moment niet meer laten verrassen. “Monetair beleid heeft een soort ingebakken onwaarachtigheid. Deze onwaarachtigheid kan op het eerste gezicht productief lijken, maar op de lange termijn is ze dat niet.”

Het Keynesiaanse gedachtegoed is vaak gerubriceerd als macro-economie, aangezien alle handelingen van de individuen bij elkaar gegroepeerd zijn. Al zeer vroeg, vlak na de Tweede Wereldoorlog, was Chicago in de weer om een micro-economische fundering van de Keynesiaanse economie te geven, dat wil zeggen, om te kijken welke systematische analyse van de handelingen van het individu de Keynesiaanse modellen zou ondersteunen. Maar dat verliep in een andere richting dan men eigenlijk had gedacht, volgens Lucas. “Het bleek dat hoe dichter we bij een micro-economische fundering kwamen, hoe minder Keynesiaans het leek. Tenslotte besloten we dat het gewoon helemaal niet meer Keynesiaans was, en dat was dat.” Het micro-economische fundament dat de Chicago School vond was een marktmodel dat op allerlei economische en niet-economische situaties kon worden toegepast.

De Chicago School heeft als rode draad het marktdenken en daarin herkennen we veel elementen van het paarse kabinet. Het zijn dan wel liberale ministers op de economische posten geweest die het marktdenken bevorderd hebben, maar de markt is ook geen scheldwoord meer voor een sociaal-democraat.

In plaats van een uitbuitingsmechanisme is de markt synoniem geworden met vrije keuze waarin men precies verantwoordelijk wordt gehouden voor de gemaakte kosten. Ik vraag Becker wat hij vindt van de verhoging van het collegegeld, dat zowel in Nederland als in de VS aan de orde van de dag is. Becker: “Hoewel het collegegeld omhoog gaat is het aantal scholieren dat verder gaat studeren absoluut en procentueel ook gestegen. De reden is duidelijk: het salaris dat je met een hogere opleiding kunt verdienen is enorm gegroeid.”

Het is duidelijk dat Becker een markt-argument voor ogen heeft. Het is goed dat je precies betaalt wat je ervoor over hebt om een bepaalde opleiding te krijgen, want op die manier verdeel je de schaarse middelen op een efficiënte manier.

Lucas is voorzichtiger dan Becker. Al in een vroege fase van de ontwikkeling van marktmodellen werd het duidelijk dat de markt niet tot een optimale verdeling zal leiden, als er bijvoorbeeld externe effecten of collectieve goederen in het spel zijn. Lucas geeft aan “dat er dingen zijn die markten niet kunnen, en die daarom door iemand anders gedaan moet worden. Je hoort vaak zeggen dat we van de verzorgingsstaat af moeten zien te komen, maar dat is in wezen niet eerlijk. We willen er niet vanaf, we hebben ons hart verpand aan de verzorgingssstaat. Hervorming van de bijstand is nu zelfs onderdeel van het programma van de Democraten, maar ze zullen de bijstand niet echt afschaffen. Niemand wil mensen laten verhongeren, of kinderen zonder opleiding, onderdak en kleding de straat op te sturen.”

Gevraagd naar zijn mening over de situatie met Lovers en de NS, geeft Lucas aan dat hij zeker plaats ziet voor een vorm van privatisering. Maar dat betekent niet dat de markt zomaar een optimale uitkomst levert. “Als ik een argument zou willen geven voor een vorm van overheidsoptreden met betrekking tot het spoornet, dan zou ik het hebben over de externe effecten. Immers, iedereen die voor zijn werk de trein naar Chicago of Amsterdam neemt, vergemakkelijkt daarmee het verkeer voor degenen die met de auto kwamen. Terwijl iedereen die rijdt zijn medeweggebruikers tot last is. Deze externe effecten rechtvaardigen een belasting op auto's en een subsidie op het treinverkeer.”

Het zal ook niet lang meer duren voordat de monetaire unie in Europa een feit is. Becker ziet daarin een economisch gevaar voor de hele Unie. “Ik denk dat er in het algemeen een tendens richting decentralisatie in plaats van centralisatie moet zijn. De euro daarentegen moedigt juist centralisatie aan. Het is immers moeilijk voor te stellen dat een gemeenschappelijke munt zonder gemeenschappelijk fiscaal beleid wordt doorgevoerd. Vanuit een economisch perspectief zal Europa slechter af zijn.” Bovendien, zo meent Becker “heb je helemaal geen integratie nodig om schaalvoordelen te behalen. We hebben nu de wereldmarkt!” Becker stelt een andere manier voor om tot een monetaire unie te komen. “Laat alle munten met elkaar concurreren! Als de mark sterker is, laat dan de Italianen marken aanhouden. Laat alle munten geldig zijn in ieder land. Laat de centrale banken met elkaar concurreren. Als de mark in de toekomst devalueert, misschien dat dan de frank of de gulden haar plaats inneemt. Wie weet.”

Lucas gelooft dat het wel meevalt met die Economische en Monetaire Unie, terwijl niet alleen Becker maar ook veel andere Amerikaanse economen er moord en brand over schreeuwen. “Ik denk dat het over het algemeen een goed idee is. Het was zeker voor de VS een enorme economische stimulans om 350 miljoen mensen onder één munt te verenigen. Niemand in de Verenigde Staten zou serieus willen voorstellen om terug te gaan naar verschillende munten voor de verschillende staten. Als Europa een gemeenschappelijke munt wil, dan moet het ervoor zorgen dat zijn monetaire politiek op prijsstabiliteit gericht is. Wanneer Europa zich hieraan houdt, kan een gemeenschappelijke munt een groot voordeel zijn.”

Het is bijna twee, respectievelijk vijf jaar geleden dat Lucas en Becker werden opgebeld door de Koninklijke Zweedse Vereniging voor Wetenschappen met de mededeling dat ze de Nobelprijs plus de daaraan verbonden cheque van zo'n twee miljoen gulden hadden gewonnen. Het is een telefoontje dat zo vaak naar de Universiteit van Chicago is gegaan dat het onderwerp van veel grappen is geworden. Een studiegids bijvoorbeeld definieert de Nobelprijs als de jaarlijkse onderscheiding voor de economiefaculteit. Er wordt wel eens gezegd dat binnen de faculteit het niet zozeer een eer is om een Nobelprijs te hebben, maar eerder een schande om er geen te bezitten.

Zo vlak voor de bekendmaking van de prijs voor 1997 wordt er plaatselijk veel gespeculeerd over kanshebbers. Becker zegt dan wel niet over 'inside information' te beschikken, maar noemt toch vier namen: in Harvard Amartya Sen en Dale W. Jorgenson, aan Cornell University John M. Abowd, en Malinvaud in Parijs. Lucas noemt slechts één naam: Thomas Sargent, een econoom van ...Chicago.

De bekendmaking van de prijs vindt komende dinsdagochtend plaats - als ze eruit komen tenminste. Officieel is het geen Nobelprijs, aangezien Nobel economie nooit als een aparte discipline gekend heeft. De prijs heet dan ook officieel 'De Zweedse Bank Prijs voor Economische Wetenschappen ter herinnering aan Alfred Nobel' en is voor het eerst in 1969 toegekend aan een Nederlander, Jan Tinbergen.

De kansen voor een niet-Amerikaan zijn nu niet groot. Becker merkt op dat “er een Amerikaanse dominantie in de economische wetenschappen heeft bestaan sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog”. Maar hij ziet die dominantie langzaam afbrokkelen. “Ik denk dat Europa een belangrijke comeback aan het maken is.” Hij noemt met name Nederland, met economen als Tinbergen, Theil en Koopmans, en de 'rational choice'-sociologen opvallend voor zo'n klein landje.

Tenslotte merkt zowel Lucas als Becker op dat de Nobelprijs hen en hun werk veel bekendheid heeft gegeven. En het was natuurlijk ook een mooie duit in het zakje. Echter, Lucas hield er maar één miljoen gulden aan over, aangezien hij de helft weg gaf aan zijn ex-vrouw. Toen het paar in 1990 scheidde had zij in een provisie erop aangedrongen dat zij de helft van een mogelijke Nobelprijs zou krijgen, als dat binnen vijf jaar zou gebeuren. De jaren gingen voorbij, tot precies in het vijfde jaar, waarin de Nobelprijs naar Lucas ging. Hij nam het luchtig op en prees haar voor het gebruik van rationele verwachtigen - het onderwerp waarvoor hij zijn Nobelprijs had gekregen.