De duivel is mijn zegsman; Gesprek met de Portugese schrijver José Saramago

Hij werd populair met zijn boek over arme, Portugese boeren. Maar vanwege zijn kritische boek 'Het Evangelie volgens Jezus Christus' moest José Saramago het Portugal verlaten: “Atheïsten zijn zeer scrupuleus in religieuze en ethische problemen, veel meer dan de gelovigen. ” Portugal is het themaland van de Buchmesse die volgende week in Frankfurt begint.

Soms lijkt het alsof schrijvers de fictie in hun boeken alsnog in praktijk brengen. José Saramago, Portugals bekendste schrijver vertrok vier jaar geleden uit zijn geliefde Lissabon om zich te vestigen op Lanzarote, het meest noordelijke eiland van de Canarische archipel. Zoals in zijn boek A Jangada de Pedra (Het vlot van steen, 1986) Spanje en Portugal zich loskoppelden van het Europese continent om weg te drijven naar een plek ergens tussen Afrika en Zuid-Amerika, was het nu de schrijver zelf die deze weg volgde. Vanuit de werkkamer boven in zijn witte villa hebben we uitzicht over het lager gelegen vakantiedorp Puerto del Carmen, daarachter de zee met in de verte, boven de sluiers van de namiddagnevel de bergtoppen van het verderop gelegen eiland Fuerteventura.

“De aanleiding voor de verhuizing was een trieste geschiedenis”, grinnikt Saramago. Gekleed in zijn blauwe kaki-broek, streepjeshemd en sandalen oogt de schrijver jonger dan de 74 jaar hij telt. In 1992 zorgde zijn boek Het Evangelie volgens Jezus Christus voor de nodige opschudding. De toenmalige Portugese regering verbood de inzending van Het Evangelie voor de Europese prijs voor de literatuur. Het feit dat de Maria van Saramago geen maagd bleek te zijn, dat Jozef schuld deelde aan de kindermoord van Betlehem en dat God werd afgeschilderd als berekenende machtswellusteling werd gezien als een belediging van het katholieke erfgoed van de Portugese natie. Het kabaal rond het schandaal leidde Saramago af van zijn werk. “Alles bij elkaar vond ik het buitengewoon vervelend”, meent de schrijver. Pilar, zijn Spaanse echtgenote, opperde om naar Lanzarote te vertrekken, een stukje Europa voor de Afrikaanse kust, ver weg van het rumoer op het continent. Het bevalt hem uitstekend. “Uit een slechte zaak kan ook iets goed voortkomen, zo blijkt maar weer”, meent Saramago.

Dat laatste lijkt een credo te zijn in het leven van José Saramago. Zo kreeg de schrijver de naam waar hij de wereld mee zou veroveren, dankzij een fout van de dorpsambtenaar die hem in het geboorteregister noteerde. Saramago was de bijnaam van zijn vaders familie. “Het grappige was dat mijn vader niet van die bijnaam hield, Saramago is een weinig decoratief plantje en onze achternaam was Sousa. Mijn vader was zeer uit zijn humeur toen ik voor het eerst naar school ging en het nodig was om de officiële papieren te laten zien. Het leek alsof hij een zoon bij een andere familie had. Het leukste was nog dat mijn vader genoodzaakt was een aanvulling te doen op het familieregister met de naam Saramago. Een van de weinige gevallen waarin de vader naar de zoon is genoemd in plaats van andersom.”

Hoewel de voorzienigheid hem reeds in een pril stadium zijn auteursnaam bezorgde, leek het er aanvankelijk niet op dat Saramago ooit de schrijver werd wiens werk in meer dan dertig talen over de hele wereld zou verschijnen. Welliswaar publiceerde hij reeds op zijn 25-ste jaar zijn eerste novelle La Viuda (De Weduwe). Het werd een flop. “Een jeugdzonde, ja. Wat wist ik op 25ste eigenlijk van het leven? En wat wist ik bovendien van weduwen?”, aldus Saramago. Het boek zal binnenkort worden herdrukt en onder de titel Terra da Pecado (Land der zonde) op de markt worden gebracht.

Na zijn eerste poging gaf de jonge Saramago het schrijverschap op, om pas in de loop van de jaren zestig de draad weer op te pakken met een aantal dichtbundels. In 1974 deed Saramago enthousiast mee aan de Anjer-revolutie die de verkalkte dicatuur in Portugal ten val bracht. Een jaar later, toen veel van de radicale hervormingen werden terugedraaid, werd hij ontslagen als hoofdredacteur van het dagblad Diario de Noticias. “Ik was plotseling werkloos en besloot het schrijverschap weer op te pakken met de uitwerking van een oud idee: een boek over de boeren in een streek waar werkloosheid en de onderdrukking door de grootgrondbezitters, de politie en de kerk de toon zetten.”

Boeren

In 1980 publiceerde hij de roman die voor zijn doorbraak zou zorgen: Levantado do Chao (Opgestaan van de aarde), een verhaal van vier generaties boeren in de Alentejo, Portugals verarmde achterland. Een gebied waar de feodale uitbuiting een van de belangrijkste uitdagingen vormde voor de Portugese revolutionairen.

Na vier jaar lang te hebben geleefd tussen de boeren van verarmde landstreek, zette Saramago zich enigszins moeizaam aan het schrijven. “Ik wist niet hoe ik het verhaal moest vertellen en begon te schrijven op de gebruikelijke manier: met de dialogen keurig op hun plaats en de punten en komma's waar ze moesten staan. Ik wist dat wat ik schreef mezelf niet beviel, maar ik wist niet duidelijk wat ik anders wilde. Toen kwam zo'n 'gezegend' moment in mijn literaire leven: min of meer onbewust draaide ik een nieuw blad papier in mijn schrijfmachine en begon te tikken zonder me iets aan te trekken van de gebruikelijk geordende syntaxis en de interpunctie. Het gebeurde zonder er bij na te denken, alsof ik zelf het initiatief niet nam. Een plotseling moment van kristallisatie”, zegt Saramago terwijl hij fel in zijn handen klapt. De toon was gezet en in een nieuwe vrijheid, zonder zich al te veel te bekommeren om de gebruikelijke zinsopbouw, vervolgde Saramago zijn werk. Wie er aan het woord is blijkt doorgaans slechts uit de context en het woordgebruik. Dialogen vloeien zonder onderbreking over in de gedachten van de hoofdpersonen. Aan zijn stijl is Saramago de boeren rechtstreeks schatplichtig. “Ik sprak vele van hen over hun leven en nam die gesprekken op. Toen ik het opschreef herhaalde ik als het ware met mijn eigen stem de verhalen die zij mij hadden verteld. Later heb ik dat - met enige aanpassingen - volgehouden: niet schrijven, maar vertellen. Ik houd het mijn lezers ook voor, zeker in het begin toen ze vaak zeiden dat ze moeite hadden om de tekst te volgen: je moet in je eigen hoofd de stem vasthouden die hardop vertelt wat je leest.” Zo werkt het ook bij de schrijver zelf. “Als ik in mijn hoofd geen stem hoor dan lukt het niet. Het is uiteindelijk alsof je muziek maakt, met geluiden en pauzes. De reflectie komt later.”

De soldaat Mogueime die aan de zijde van de Portugezen de Moren verdrijft in Het beleg van Lissabon, het echtpaar Blimunda en Baltasar die het klooster van Mafra gebouwd zien worden in Memoriaal van het klooster en Jezus in zijn eigen versie van het Evangelie: de hoofdpersonen uit Saramago's boeken zijn van eenvoudige komaf. “Mijn hoofdpersonen zijn geen helden. Ik deel hun gezichtspunt. Ik kan ook niet anders. Ik heb nooit bij de machthebbers gehoord. Je zou kunnen zeggen dat ik een klasse-literatuur bedrijf. Ik kom uit een familie van boeren zonder land. Een universitaire scholing heb ik niet. Ik begon ooit te werken als monteur in een garage. De geschiedenis uit het perspectief van een graaf of een miljonair zou ik nooit kunnen weergeven”, vertelt Saramago.

Met een ironie die niet zelden in sarcasme om kan slaan en in een afwisselend plechtstatig en platvloers taalgebruik, schept Saramago er een bijzonder genoegen in om de geschiedenis zoals die vanuit het oogpunt van de koningen, keizers en kardinalen wordt opgetekend onderuit te halen. Vanuit het perspectief van de schlemiel worden de zaken alsnog rechtgetrokken. In Memoriaal van het klooster wordt het klooster van Mafra, Portugals grootste religieuze bouwwerk, teruggebracht tot de megalomane gril van koning Dom João V waar het Portugese volk massaal onder moest lijden. In Het beleg van Lissabon wordt de geschiedenis zelfs aangepast: tot grote woede van de weinig ontwikkelde Dom Alfonso Henriques weigeren de kruisvaarders te helpen bij de inname van Lissabon, zodat de overwinning aanmerkelijk minder glorieus verloopt dan officieel is opgetekend.

Geschiedenis

“Het lijkt alsof de geschiedenis in een onveranderlijk gezichtspunt is gegoten, als een soort natuurverschijnsel”, verklaart Saramago zijn onbedwingbare neiging om het verleden te herschrijven. “De geschiedenis staat altijd in dienst van de macht. Als een regime de geschiedenis niet aanstaat wordt zij herschreven. Zelfs als we denken dat we geheel objectief zijn, zijn we niets meer dan instrumenten van bepaalde omstandigheden in een bepaalde periode. Maar als je erover nadenkt - waar is de macht, hoe wordt zij uitgeoefend en instandgehouden - dan kan je daar van afstappen en je eigen verhaal beginnen.”

Sleutel tot het werk van Saramago is ongetwijfeld Het Evangelie volgens Jezus Christus. Saramago schetst, als fervent atheïst, een wreed en medogenloos evangelie van de macht. God fungeert daarbij als de cynische strateeg die ontevreden is met zijn heerschappij over de joden, “een van nature conflictueus en gecompliceerd volk”, aldus het opperwezen.

“(-) Fraaie toekomst heb je daar versierd na vierduizend jaar beulswerk, dat nooit ofte nimmer kan worden vergoed door de offers op de altaren, hoe overdadig en gevarieerd die ook mogen zijn (-)”, zo schetst de God van Saramago tegenover Jezus zijn marginale bestaan. “(-) Je blijft de God van een petieterig klein volkje in een piepklein deel van de wereld die je zelf met alles er op en er aan hebt geschapen, vertel mij mijn zoon, of ik tevreden kan leven met die, laten we zeggen vervelende evidentie dag in dag uit voor ogen (-)”

Bevangen door koele expansiedrift besluit God een wereldimperium te scheppen en het creëren van een stoet aan martelaren lijkt hem daarbij uiterst dienstig. Jezus maakt een knieval voor zijn macht en is daarbij als eerste reddeloos verloren. “En welke rol had je mij toebedacht in je plan”, vraagt hij zich af. “Die van martelaar, mijn zoon, van slachtoffer, want een martelaar is het beste om een leer te verspreiden en een geloof vurig te maken. De twee woorden martelaar en slachtoffer kwamen uit Gods mond alsof de tong die daar zat van melk en honing was, maar een plotselinge ijzige kou deed Jezus huiveren, (-), op hetzelfde moment dat de Duivel hem met een raadselachtige uitdrukking aankeek, een mengeling van wetenschappelijke belangstelling en onwillekeurig mededogen.”

De duivel komt er bij Saramago nog het beste af. “Ik ben iedereen die in dat boek zit: God, de duivel, Jezus, Maria van Magdala. Maar het is duidelijk dat mijn duivel een sympathieke figuur is. Een schaapsherder die geen dieren uit zijn kudde offert. Een heer die het leven respecteert en die Jezus duidelijk maakt dat hij er niets van heeft begrepen. De duivel is zo'n beetje mijn woordvoerder.”

“In het Evangelie volgens Jezus Christus worden vraagtekens gezet bij de essentie van onze eigen cultuur en civilisatie”, meent Saramago. Behalve de arrogantie van de macht handelt het boek over schuld en verantwoording. De kindermoord in Betlehem belast Jezus met een schuldprobleem: hij ontsprong de dans terwijl de rest van de kinderen werden vermoord. En dit omdat vader Jozef in zijn egoïsme om zelf een goed heenkomen te zoeken naliet hun ouders te waarschuwen. “Het zijn problemen die je niet in de Evangeliën aantreft. Het belangrijkte moment van het boek is ook niet de vergadering van God, Jezus en de duivel op het meer van Tiberias, maar de scene waarin de 14-jarige Jezus naar de tempel gaat om te vragen aan de schriftgeleerden wat schuld en verantwoordelijkheid nu eigenlijk zijn.”

Strafexpeditie

Saramago ontkent dat zijn Evangelie een strafexpeditie betreft van een wraakzuchtige ex-communicant. “Nee, nee, ik heb nooit een geloof gehad”, benadrukt hij vrolijk. “Ik ben nooit religieus opgevoed. Wel gedoopt natuurlijk, maar alles daarna, de catachese en zo, is aan me voorbijgetrokken. Als kind dacht ik al: als er een God is, is er maar een. En dus zijn alle vormen van godsdienst gelijk. Hoe kunnen de mensen elkaar uitroeien en martelen als ze morgen in het Laatste Oordeel allemaal voor dezelfde God staan? Wat moet God straks doen als hij moet kiezen tussen Lutheranen en katholieken? Wie moet er naar de hel? Absurd.” Dat neemt niet weg dat hij volmondig erkent het product te zijn van een gelovige samenleving. “Ik ben atheïst maar met een christelijke mentaliteit”, zegt Saramago. “Ik kan niet anders. Ik kan geen islamistische noch boeddhistisch of taoïstische mentaliteit hebben.”

“Atheïsten zijn zeer scrupuleus in religieuze en ethische problemen, veel meer dan de gelovigen. Ik heb een theaterstuk geschreven over Franciscus van Assisi. Een figuur die respect afdwingt. Hij komt terug naar het leven en treft een Franciscaner-orde aan die volledig aan de haal is gegaan met zijn ideeën over armoede. Ik ben zelf in Assisi in het klooster geweest en zag daar Franciscaner-broeders in stalletjes crucifixen en rozekransen verkopen aan toeristen. Dat kan toch helemaal niet!”

Nog altijd is Saramago lid van de communistische partij in Portugal. In het licht van zijn veeleisende moraal op zijn minst opmerkelijk. Heeft het communisme niet eveneens een reputatie hoog te houden als het aankomt op totalitair machtmisbruik, dogmatisme en blinde volgdrift?

“Je kan zeggen dat ik er nooit een boek over heb geschreven. Maar in mijn publieke uitlatingen ben ik altijd zeer kritisch geweest tegenover de zaken die mij niet bevielen, vaak tegen de partijlijn in. Indertijd waren er twee opties. Het kapitalisme en het socialisme. Mijn optie is het socialistische idee geweest, omdat het staat voor het bevredigen van de behoeften van geluk en welvaart. Het kapitalisme belooft nooit iets, in die zin is het erg oprecht. Het socialisme daarentegen doet wel beloftes. En als het die beloftes niet waarmaakt, zoals tot dusver het geval is geweest, stelt het teleur. Het is een ramp geweest, jazeker, maar je kan het socialisme ook niet invoeren zonder de bewuste en verantwoordelijke medewerking van de burgers. Als je een partij hebt die alles voor je besluit en ook nog eens geen inmenging duldt, kan je het nog moeilijk socialistisch noemen.”

“Ik denk dat er nieuwe pogingen komen om het socialisme leven in te blazen, het zal terugkomen. Ik weet niet wanneer, waar en hoe, maar het komt terug. Er moet een ontsnapping zijn uit de decoratief ingerichte hel van het menselijke bestaan die we nu kennen. Deze wereld heeft alleen zin als we kunnen veranderen dat tien procent van de bevolking negentig procent van de welvaart consumeert. Als het kapitalisme die uitweg biedt: prima. Maar het gaat volgens mij in tegen zijn eigen interne logica.”

Dat het communisme tot dusver eerder de hel dan de hemel op aarde heeft gecreëerd kan Saramago niet overtuigen. “Het gaat niet om het zoeken van verontschuldigingen. Ik sta niet naast Clinton, maar naast Fidel Castro. Vanuit die plaats kan ik ook zeggen wat een vergissing of een fout of zelfs een misdaad is. Maar het zijn wel de misdaden die aan mijn kant begaan worden. Ik moet ergens staan tussen die twee systemen. Het is een optie voor het leven. Ik stond ook niet achter het Sovjet-regime van Brezjnev. Als je vergelijking met het geloof wilt maken: paus Alexander Borgia had ook niets te maken met Franciscus van Assisi. Als ik tussen hen moest kiezen werd het Franciscus van Assisi.”

Langzaam kleurt de ondergaande zon het panorama van velden inktzwarte lava-sintels, de blauwe zee en de laag over het land jagende wolkenflarden. De schrijver kijkt plotseling vermoeid. Europa baart hem zorgen, de eenwording vertrouwt hij niet en al evenmin de positie waarin het stiefkindje Portugal in terecht dreigt te komen. “In Portugal willen ze nu zeven, acht regio's gaan maken. Hoe kan je de Unie-gedachte nu combineren met een dergelijke versplintering? Ik weet niet of hier een of ander Machiavellistisch brein achter steekt, maar het lijkt toch erg veel op de toepassing van het aloude verdeel en heers. De politici geven zich er geen rekenschap van dat ze hiermee de problemen voor de komende generaties aan het creëren zijn. Er bestaat altijd het gevaar dat er charismatische politieke leider komt die het nationale sentiment weer uit gaat buiten. De grootste fout van de Europese politici is dat ze geen lering trekken uit de geschiedenis.”

“Ik maak me grote zorgen over de toekomst van mijn land. Wat blijft er over van de eigen onafhankelijkheid en soevereiniteit? Ik geloof niet Portugal over vijftig jaar niet meer bestaat, maar ik vraag me af wat voor soort Portugal er dan zal zijn. In het licht daarvan moet u mijn pessimisme zien. Maar het is een pessimisme dat de zaken doet veranderen. De optimist is meestal onverschillig. De pessimist nooit.”