Christine de Pisan (1365-1430); Moedig verdedigster van vrouweneer

Régine Pernoud: Christine de Pisan. Vertaald door Théo Buckinx. De Prom, 190 blz. ƒ 34,90

In hun gezaghebbende standaardwerk, Histoire des Femmes, karakteriseren de historici Georges Duby en Michelle Perrot Christine de Pisan als de eerste geleerde en geletterde Franse feministe, wier werk een belangrijke rol speelde in de maatschappelijke en literaire discussie aan het einde van de middeleeuwen. Als poète-écrivain, als polemiekschrijfster en als intellectueel trad zij in discussie met de invloedrijkste mannelijke bolwerken van haar tijd: de universiteit van Parijs en de rechterlijke macht.

Als onafhankelijke vrouw brak zij een lans voor de rechten van haar eigen sekse en liet zij haar stem horen in geschriften van filosofische, historische, politieke en religieuze aard. Tegelijkertijd gaf zij verder vorm aan de dichtkunst van haar tijd. In zijn studie Herfsttij der Middeleeuwen (1919) noemt Johan Huizinga haar een 'moedig verdedigster van vrouweneer en vrouwenrechten'. De dichter J.H. Leopold vertaalde haar beroemdste ballade 'Seulete suy et seulete veuil estre' uit 1393 en nam die op in zijn bundel Verzamelde verzen uit 1913: Alleen ben ik en zoek alleen te wezen, Alleen ben ik en van mijn lief verlaten, Alleen ben ik; wie die mijn heer mag wezen? Alleen ben ik, dan bitter, dan gelaten, Alleen ben ik en schuw mijn kwijnend leven, Alleen ben ik, verdoolde uitermaten, Alleen ben ik en zonder vriend gebleven. Het gedicht, waarvan dit de eerste strofe is, verwijst naar 'het dal van beproevingen' dat Christine de Pisan betrad na de dood van haar echtgenoot, Etienne Castel, in 1389, en die van haar vader, enkele jaren daarvoor. Hun beider dood liet haar de leiding over een gezin dat bestond uit haar kinderen (een dochter en twee zonen), haar moeder en een nichtje. Van de ene op de andere dag zat de vijfentwintigjarige Christine de Pisan zonder inkomsten en moest zij als berooide weduwe allerlei schuldeisers op afstand zien te houden.

De eerste twee decennia van haar leven waren gelukkig en zelfs redelijk luxueus geweest. Haar vader, Thomas de Pisan, was een beroemd arts en astroloog uit Bologna, die zich, op verzoek van Koning Karel V van Frankrijk, in 1369 met zijn gezin in Parijs had gevestigd, waar hij persoonlijk raadsheer van de koning werd. Zijn dochter, die erg leergierig was, kreeg een voor die tijd ongebruikelijke intellectuele vorming en ontmoette in de entourage van de koninklijke residentie allerlei wetenschappers en beheerders van waardevolle bibliotheken met wie zij bevriend raakte. In 1379 werd zij uitgehuwelijkt aan de uit Picardië afkomstige klerk Etienne Castel, die spoedig bevorderd werd tot secretaris en notaris van de koning.

Na de onverwachte dood van Castel bij een pestepidemie 'draaide het rad van vrouwe Fortuna steeds benedenwaarts', schreef Christine de Pisan. Zij was volledig onkundig van haar mans zaken en van de wetgeving over erfrecht wist zij al helemaal niets. Toch was zij vastbesloten de erfenissen op te eisen waar zij recht op dacht te hebben. Vasthoudend streed zij bijna een kwart eeuw voor het verkrijgen van haar mans achterstallige salaris, waarbij zij niet aarzelde persoonlijk haar pleidooi te voeren.

Christine de Pisan besloot haar schrijftalent te gebruiken om in het onderhoud van haar gezin te voorzien. Tot 1399 schreef zij een honderdtal ballades, sommige op bestelling, andere als geschenk. De meeste zijn, volgens de dichteres, 'huilerige klachten', maar er zijn ook verzen 'om mijn van smart vervulde hart wat vrolijkheid te bezorgen'. Tussen 1399 en 1405 schreef zij vijftien met miniaturen geïllustreerde boeken, waarvan met name hertog Jan van Berry, een broer van de inmiddels overleden Koning Karel V, een trouw afnemer was. Zij schonk haar manuscripten ook aan koningin Isabella van Beieren, haar zwager hertog Lodewijk van Orleans en andere vooraanstaande personen uit het koninkrijk. In 1404 verleende Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, haar de eervolle opdracht het leven van zijn broer, Koning Karel V, te beschrijven, wat resulteerde in het Livre des faits et bonnes moeurs de Charles V. Haar naam als geschiedschrijfster was daarmee gevestigd.

Het historische tijdperk waarin Christine de Pisan leefde wordt door Régine Pernoud met groot inlevingsvermogen beschreven. Pernoud, die een groot aantal boeken publiceerde over de middeleeuwen, waaronder biografieën over Jeanne d'Arc, Hildegard van Bingen en vele anderen, beschrijft met kennis van zaken de bloedige conflicten ten tijde van de Honderdjarige Oorlog, de fatale rivaliteit tussen de Bourgon-diërs en de Armagnacs en de opmars van de Engelsen totdat Jeanne d'Arc het tij doet keren.

Met enthousiasme vertelt Pernoud hoe Christine de Pisan het initiatief nam tot de eerste feministische polemiek uit de Franse literaire geschiedenis, de Querelle de la femme. De dichteres had aanstoot genomen aan de vrouwenhaat die sprak uit Jean de Meungs aanvulling op de beroemde Roman de la Rose, die in de dertiende eeuw was geschreven door Guillaume de Lorris. Dit werk, waarin de riddereer werd gedefinieerd en ridders werden opgeroepen vrouwen en armen te beschermen, was in die tijd hét voorbeeld van hoofse poëzie. Huizinga schrijft in zijn al eerder genoemde studie dat 'vele, wetenschappelijke, doorgeleerde mannen de Roman de la Rose zo hoog stelden, dat zij liever hun hemd zouden missen dan dit boek.' In zijn vervolg op dit werk gaf Jean de Meung echter een geheel andere voorstelling van de riddereer en hij dichtte vrouwen louter slechte eigenschappen toe.

In haar Epître au dieu d'amour diende Christine de Pisan Jean de Meung en daarmee de hele door mannen bestierde universiteit van Parijs van repliek. Aan de hand van historische voorbeelden ontkrachtte zij nauwgezet zijn beschuldigingen en hekelde zij zijn cynische minachting voor vrouwen. 'Moge het mij niet als hoogmoed worden aangerekend', besloot de Pisan, 'dat ik, een vrouw, een zo fijnzinnig auteur durf te vermanen en tegen te spreken, als hij als enige man het aandurft een heel geslacht zonder uitzondering te belasteren en te berispen!' Deze polemiek, die al spoedig meer geleerde pennen in beweging bracht, zou nog jaren worden voortgezet.

Christine de Pisan is vooral de geschiedenis ingegaan als verdedigster van de rechten van de vrouw, maar zij schreef ook over andere onderwerpen. Het Livre des faits d'armes et de chevalerie bijvoorbeeld 'had als ondertitel kunnen dragen: Hoe men vroeger een rechtvaardige oorlog voerde', aldus Pernoud. Haar beroemdste boek is ongetwijfeld Het Boek van de Stad der Vrouwen, dat zes eeuwen wist te doorstaan. In dit werk bouwt Christine de Pisan, aan de hand van vrouwelijke heldenverhalen uit de geschiedenis, een literaire stad waar vrouwen veilig kunnen wonen. Net als in haar andere werk moedigt zij vrouwen uit alle lagen van de bevolking aan zich te ontwikkelen. Bijzonder is ook dat zij vrouwen indeelt volgens een 'mannelijke' classificatie, namelijk die van sociale klasse, welstand, cultuur of woonplaats, in tegenstelling tot de gangbare normen die vrouwen groepeerden naar kuisheidscriteria (maagd, getrouwde vrouw, weduwe).

Voortdurend bejubelt Pernoud haar onderwerp. Ze juicht over Christine de Pisans moed, haar durf, haar vermogen obstakels te overwinnen en vooral over de actualiteit van haar gedachtegoed. Zij zwijgt echter over haar minder moderne kanten, bijvoorbeeld over het feit dat de dichteres vond dat de vrouw nederigheid en gehoorzaamheid was verschuldigd aan haar echtgenoot, toch een wat minder hedendaagse opvatting over het huwelijk. Ook weet Pernoud haar bijna romaneske opening niet tot aan het einde van het boek vol te houden; in sommige hoofdstukken lijkt haar betoog meer op een geschiedenisles vol leuke anekdotes dan op een biografie. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het gebrek aan gegevens over Christine de Pisans levensloop. Zelfs over haar sterfjaar bestaat geen zekerheid, maar men neemt aan dat zij in 1430 is gestorven. Uit haar laatste werk, het Ditié de Jeanne d'Arc, blijkt dat zij nog wel getuige was van de triomfen van 'de maagd van Orleans': De wereld moge zich verwonderen, Over dit grootste aller wonderen. Mijn lijden is voorbij, Want Frankrijk is weer vrij.

De Verzamelde verzen van J.H. Leopold zijn uitgegeven door Atheneum-Polak & Van Gennep (1982). Het boek van de Stad der Vrouwen is als pocket verkrijgbaar (Ooievaar Pockethouse, 1995).