Bundesbank speelt alvast voor ECB

Met de verhoging van de Duitse rente combineert de Bundesbank haar Europese verantwoordelijkheid met haar eigen agenda.

AMSTERDAM, 10 OKT. De Europese Centrale Bank begint pas over vijftien maanden met haar werkzaamheden, maar de Bundesbank nam gisteren alvast de honneurs waar. De Duitse centrale bank leidde met een verhoging van haar voornaamste geldmarkttarief, de beleningsrente, van 3,0 naar 3,3 procent een nieuwe golf van renteverhogingen in. Die golf bracht de rentetarieven in de Europese Unie weer een stukje dichter bij elkaar.

Als de ene Europese munt, de euro, er eenmaal is, voeren alle deelnemende landen aan de Economische en Monetaire Unie één en dezelfde geldmarktrente. Die wordt bepaald door de Europese Centrale Bank (ECB). Dat geldt ook voor de rente op de kapitaalmarkt, waar langlopende obligaties worden verhandeld. Op deze obligatiemarkt moet de marktwerking, de aan- en verkoop van obligaties door beleggers, zorgen voor de convergentie van de rentevoeten. En dat gebeurt ook. In de afgelopen twee jaar kropen de rendementen op 10-jarige staatsobligaties (de kapitaalmarktrentes) van alle gedoodverfde deelnemers van de EMU naar elkaar toe. Uiteindelijk zullen er nog maar kleine verschillen zijn op basis van de kredietwaardigheid die beleggers de verschillende uitgevers van staatsobligaties toedichten. De Spaanse langetermijnrente bijvoorbeeld, zal daardoor een tikje hoger kunnen zijn dan de Duitse.

Op de geldmarkt, waar de rente wordt bepaald voor zeer kortlopende leningen en tegoeden, zetten de centrale banken echter de toon. Daar is de verlangde convergentie van de Europese rentevoeten naar de ene ECB-rente geen kwestie van marktwerking, maar van centrale-bankbeleid.

Als motief voor de renteverhoging van gisteren wees de Bundesbank op de economische situatie in Duitsland. De economische groei is dit jaar flink aangetrokken, en zal vermoedelijk uitkomen op 2,5 procent - de hoogste groei sinds een kortstondige economische opleving in 1994. Voor volgend jaar zit 3 procent groei in de pen. De Duitse mark is ten opzichte van de dollar flink in waarde gedaald, zodat er via hogere invoerprijzen een opwaartse druk kan komen op de binnenlandse prijsindex.

Daar staat een aantal gematigde ontwikkelingen tegenover. De Duitse consument is nog bedeesd: het aantrekken van de economische groei komt vrijwel geheel voor rekening van de exportsector. De Duitse inflatie, die over augustus was opgekropen naar 2,1 procent, bleek vanmorgen over de maand september weer wat te zijn gedaald, naar 1,9 procent op jaarbasis. En de Duitse werkloosheid staat onverminderd op de recordstand van 11,4 procent.

Een Bundesbank die enkel rekening houdt met de situatie in het eigen land, had er wellicht voor gekozen de rente wat later, of met wat kleinere stapjes omhoog te schroeven. Maar de binnenlandse situatie is nu niet langer de enige factor meer waarmee de bankiers in Frankfurt moeten rekenen. Of het de Europese partners nu zint of niet, de Duitse rente zet de toon in de EU. Dat geeft, nu de muntunie razendsnel dichterbij komt, de Bundesbank een extra verantwoordelijkheid - en ook een extra agenda.

Die verantwoordelijkheid betreft het monetaire management van de gehele EU. In de Unie komen de landen in soorten en maten: Oostenrijk heeft een zwakke economische groei en de laagste inflatie van de Europese Unie en een lage, 'Duitse' rente. Nederland behoort tot de snelste groeiers, en heeft op Griekenland na de hoogste inflatie, maar ook een lage 'Duitse' rente. Ierland groeit hard en heeft een hoge inflatie en rente. Spanje groeit ook snel, heeft een nog lagere inflatie dan Duitsland, maar wel een veel hogere rente. Duitsland en Frankrijk zitten in de middenmoot. Er zijn, kortom landen als Spanje, Portugal, Italië en Ierland, die hun rente verder moeten verlagen naar het uiteindelijke niveau dat in de EMU zal heersen. Sommige kunnen dat goed gebruiken, voor andere is een renteverlaging in feite niet passend voor hun aantrekkende economie. Ook is er een groep landen met een lage rente, zoals Nederland, die omhoog zal moeten om de economie niet te laten oververhitten. Oostenijk komt dat bijvoorbeeld juist weer slecht uit.

Het probleem van de ingebakken economische asymmetrie zal de muntunie misschien wel altijd blijven teisteren. Voor dit moment geeft de grootste gemene deler in ieder geval aan dat de landen met een nu nog hoge rente niet helemaal naar het huidige Duitse niveau kunnen dalen, en dat de laagrentende landen over het algemeen wel gediend zijn met een rentestap omhoog.

Zo voltrekt de convergentie van rentevoeten zich alvast schoksgewijs onder leiding van Bundesbank. Maar welk niveau is nu uiteindelijk passend? Daar komt de eigen agenda van de Bundesbank om de hoek kijken. Vanaf mei volgend jaar al zitten de munten van de EMU-deelnemers in feite aan elkaar vast. Dan wordt al bepaald tegen welke onderlinge wisselkoersen de munten acht maanden later in de 1999 in de euro opgaan. Vanaf dat moment moeten de centrale banken dus noodzakelijkerwijs als één lichaam optreden, zonder dat de formele besluitvormingsstructuur van de ECB er al is.

Vanaf dat moment is de Bundesbank zijn Europese macht al grotendeels kwijt. De Bundesbank is er veel aan gelegen dat de Duitse rente - en vanaf dan dus ook de EU-rente - daarvóór dus al op het peil is dat in Frankfurt wenselijk wordt geacht en daarna desnoods acht maanden van onzekere besluitvorming meekan. De meeste analisten gaan uit van een rente van in ieder geval boven de 4 procent als passend voor de Duitse economie in 1998. Frankfurt heeft nu nog de macht om dat niveau op eigen houtje te bewerkstelligen. Het ligt in de verwachting dat de centrale bankiers aldaar tot op het laatst van die macht gebruik zullen maken. De rentestap omhoog die de Bundesbank gisteren zette, zal ook daarom niet de laatste zijn voor mei volgend jaar.