Westerse telecombedrijven wachten geduldig op hun kans; De grote prijs van China

China waakt jaloers over haar staatsmonopolie op het gebied van de telecommunicatie. Toch zorgen veel Westerse bedrijven dat ze in China aanwezig zijn. De telecommarkt in China groeit namelijk explosief, en er moeten grote investeringen gedaan worden, waar de staat het geld niet voor heeft.

In het land waar een telefoonaansluiting inmiddels net zoveel geld kost als de aanschaf van een mobiele telefoon is de keuze gemakkelijk gemaakt; Chinezen kopen mobiele telefoons. Een extra impuls voor die aanschaf is dat het apparaat ook in China geldt als een statussymbool. Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer de toevallige voorbijganger de inhoud van een gesprek weet op te vangen - een klus die, gezien het volume waarmee de gemiddelde gebruiker in China in zijn pas verworven toestelletje pleegt te schreeuwen, doorgaans al van enkele meters afstand geklaard kan worden. “Wei, wei, hallo, waar ben je?! Ah! Ah! Nee, nog niet, we gaan zo eten! Ah! Ah? Nee ik zit in de bioscoop! Ah! Ah! Ik bel je zo meteen goed?! Ah! Wat? Ja! Zo meteen! Over een uur! Wat? Wei! Hallo! Ja, over een uur!” Toch zijn het deze gesprekken, en is het vooral de groeiende behoefte om dergelijke gesprekken telefonisch te kunnen voeren, die buitenlandse telecominvesteerders in China een eindeloos geduld lijken te bezorgen.

Buitenlandse investeerders krijgen op de grootste telecom groeimarkt die China is, geen toegang. Het ministerie van Post en Telecommunicatie dat over het monopolie van de Chinese telecommunicatiemarkt beschikt, beschouwt telefoneren en alles wat daarmee te maken heeft als essentieel voor 's lands soevereiniteit en openbare veiligheid. En dikwijls heeft de als uiterst conservatief bekend staande minister van Telecommunicatie, Wu Jichuan, gezegd dat telefoneren een aangelegenheid is die honderd procent in Chinese handen dient te blijven.

Het potentieel is echter zo groot en de optimistische verwachtingen bij de buitenlandse investeerders zijn zo gespannen, dat geen van die buitenlandse bedrijven er over piekert uit China te vertrekken. “Anders hadden we dat allang gedaan”, aldus Buddy Neel, president van BellSouth China, een onderdeel van het Amerikaanse bedrijf BellSouth.

Het engelengeduld van de vele buitenlandse telecombedrijven, waaronder Siemens,Motorola, Alcatel, Lucent en NEC en de vele miljarden dollars die zij, ondanks het uitblijven van concrete resultaten, in hun operaties in China hebben gestoken, wordt gevoed door de stormachtige ontwikkeling die de sector de afgelopen jaren heeft doorgemaakt. De hoge percentages van groei en omvang hebben wereldwijd hun gelijken niet. Sinds 1976 is het Chinese telefoonnetwerk gegroeid met een factor honderd. Waar twintig jaar geleden krakende telefoons het privilege waren van bureaucraten, met een capaciteit van minder dan vier miljoen lijnen, kon China's bevolking van 1,2 miljard mensen in augustus dit jaar gebruik maken van honderd miljoen aansluitingen. Waar stadbewoners een tiental jaren geleden nog een blokje om moesten fietsen voor een telefoongesprek buiten de regio, grijpen nu tien miljoen Chinezen tijdens het autorijden, de maaltijd of het bioscoopbezoek naar hun mobile. En nog altijd is slechts sprake van zeven lijnen per honderd mensen. Naar verwachting zal het mobiele netwerk de komende drie jaar verdubbelen.

Een bijkomend aspect is dat de ontwikkeling van het Chinese telecomnet zo recent is. In de verafgelegen regio moet alles nog van de grond af aan opgebouwd worden, en dat biedt de kans de nieuwste technologieën toe te passen, technologieën waarvan in veel Westerse landen bij wijze van spreken alleen kan worden gedroomd. China's oorspronkelijke infrastructuur is zo antiek, dat geen van de innovaties ten koste gaat van pas gedane investeringen of de kostbare aanpassing van oude systemen. De Chinese telecom schiet met een reuze sprong het tijdperk van de modernste telefoontechnieken in en buitenlandse bedrijven staan te popelen om daarbij te helpen.

Toch wordt die hulp, ondanks het ontbreken van de technologische kennis in China, maar matig gewaardeerd. Sterker nog, wat het ministerie van Post en Telecommunicatie betreft, is voorlopig geen behoefte aan hulp van buitenaf. Minister Wu van het ministerie zei daar ten overstaan van de buitenlandse pers onlangs het volgende over: “De telecommunicatie is de basis voor de ontwikkeling van de nationale economie. Derhalve geeft de regering grote prioriteit aan deze sector. [...] Maar het zal misschien nog wel tot 2010 duren voordat we de markt openen voor het buitenland.” Volgens een communistische technocraat als Wu, die met donkere brilleglazen door het leven gaat, garandeert de controle over het telefoonnetwerk de binnenlandse veiligheid en komt de telefoon net na de tank wanneer het om het landsbelang gaat.

Het Chinese telecomnetwerk heeft dan ook zijn wortels in het Volksbevrijdingssleger, toen na de oprichting van de Chinese Volksrepubliek in 1949 na jaren van burgeroorlog de controle over communicatie van strategisch belang was. Dat heeft erin geresulteerd dat tot op de dag van vandaag naast het reguliere netwerk in China sprake is van ongeveer dertig aparte netwerken die de strategisch geachte sectoren van de samenleving van communicatie voorzien. De afwezigheid van de bereidheid bij de Chinese regering om toegang te verschaffen tot die militaire of geheime netwerken is de belangrijkste reden waarom buitenlandse bedrijven buiten de deur worden gehouden. Zij worden beperkt tot het leveren van de bijproducten, maar netwerken mogen ze niet opzetten.

Verandering is evenwel op komst, en veel buitenlandse investeerders geloven dat ondanks de tegenwerking van het ministerie van Post en Telecommunicatie binnen zeer afzienbare tijd groen licht zal worden gegeven voor de inbreng van buitenaf. De belangrijkste indicatie daarvoor is volgens velen dat China Telecom (HK), de uitvoerende tak van het ministerie, deze maand genoteerd zal worden op de effectenbeurs van Hongkong. Het is de eerste keer dat een deel van de Chinese telecommunicatie naar de markt wordt gebracht en het is met een verwachte opbrengst van drie miljard dollar, die kan groeien tot 14.8 miljard dollar, meteen Hongkongs grootste notering aller tijden. “Het is de stilzwijgende erkenning dat China grote behoefte heeft aan buitenlands kapitaal omdat het niet in staat is de begrote zestig miljard dollar die het ministerie tot het jaar 2000 nodig zegt te hebben voor de uitbreiding van het netwerk, zelf op te brengen”, aldus een buitenlandse diplomaat in Peking.

Een andere ontwikkeling die volgens velen vertrouwen wekt, is het bezoek van president Jiang Zemin aan de Verenigde Staten, later deze maand, en daarmee samenhangend, China's lang gekoesterde wens toegelaten te worden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Washington is de belangrijkste opposant van die wens, omdat Peking verzachtende en daarmee financieel gunstiger toelatingsvoorwaarden eist - een eis die volgens de VS ongegrond is. De buitenlandse telecombedrijven in China hopen dat Jiang ten gunste van een positieve houding van de VS ten aanzien van China's toelating tot de WTO òf de telecommunicatiemarkt òf de financiële markt, waarover de staat eveneens een monopolie heeft, zal openbreken.

Andere investeerders vestigen al hun hoop op China United Telecommunications (China Unicom), de eerste en enige concurrent van het ministerie van Post en Telecommunicatie dat in 1994 op initiatief van de staatsraad werd opgericht ter stimulering van een efficiëntere aanpak op het ministerie. Unicom biedt buitenlandse investeerders iets meer toegang en mogelijkheden tot groei dan het ministerie, en volgens sommigen zullen daar de belangrijkste ontwikkelingen plaatshebben. Maar wanneer het op structurele afspraken aankomt,blijkt Unicom te worden beknot door het ministerie van Telecommunicatie, dat de positie inneemt van concurrent èn regelgever en daarmee dus geen echte concurrent kent.

Een bedrijf dat de gevolgen heeft ondervonden van die uiterst inefficiënte pogingen tot de vorming van een duopolie is BellSouth. Het Amerikaanse telecombedrijf was genoodzaakt zich terug te trekken uit een contract dat voorzag in de opzet van mobiele telefoondiensten in Peking en Tianjin. Het ministerie van Post en Telecommunicatie verbood de aansluiting van het nieuwe mobiele netwerk op dat van het ministerie en maakte daarmee het zinvolle gebruik van het netwerk onmogelijk.

Dergelijke ervaringen hebben geresulteerd in het vertrek in juli van Ameritech,een ander Amerikaans telecommunicatiebedrijf. Het bedrijf bleek niet langer in staat de 1 miljoen dollar die het tot dan toe had besteed in China, aan het thuisfront te verantwoorden en besloot zijn koffers te pakken en China te verlaten. Daarmee werd pijnlijk duidelijk dat een bedrijf dat als basis voor het slagen van zijn onderneming enkel en alleen moet vertrouwen op hoop, het blijkbaar ook in de groeimarkt die China is, niet eindeloos volhoudt.

Misschien illustreert de beslissing van Ameritech in juli derhalve wel de ironie van het zakendoen in China; op het moment dat niemand meer verwacht dat op korte termijn sprake zal zijn van een verandering in het telecombeleid, besluit de Chinese regering, hetzij door ontwikkelingen in Washington, hetzij door toedoen van de Hongkongse marktnotering van China Telecom, van de een op de andere dag dat opeens van alles kan. Sommigen, zoals Ameritech hebben dan de boot gemist, degenen met de langste adem, de bedrijven die de afgelopen jaren hun budgetten met leedwezen hebben zien slinken, zien dan de gouden bergen bewaarheid.