Parlement Moskou is een trefpunt van ritselaars

De Doema, het Russische parlement, is meer dan een vergadering van landsbestuurders. De Doema is ook een trefpunt voor ritselaars en een toevluchtsoord voor criminelen.

MOSKOU, 9 OKT. De Doema een democratisch lichaam? Bij die suggestie kijken de Russische parlementaire verslaggevers je meewarig aan. “De Doema is een landelijk podium waar vaudeville-theater wordt gemaakt', zegt de correspondent van de BBC-radio. “Maar de bedrijven zijn spannender dan die in het Britse Lagerhuis.” Zelfs de voorzitter van de Doema koestert geen illusies: “Rusland heeft een hulpeloos parlement dat onder de duim gehouden wordt door de president.” In de vergaderzaal is een loge gereserveerd voor het staatshoofd, maar Boris Jeltsin komt nooit naar “dat broeinest van sulligheid en anarchisme”.

Dit is de week van de confrontatie: de uitvoerende macht (Jeltsin, het Kremlin, de regering) wil de wetgevende macht (het parlement) dwingen akkoord te gaan met de overheidsbegroting van 1998 en een belastingwet waar zeven jaar aan gesleuteld is. Tsaar Boris de Eerste, zoals de president zichzelf deze zomer gekscherend heeft genoemd, heeft de 450 parlementariërs vooraf gedreigd: bij obstructie zal hij de volksvergadering ontbinden.

Het is alsof hij een por in een mierenhoop heeft gegeven. Achter de strenge gevel van de Doema krioelt het van het volk; in de gangen benen klerken en bodes druk heen en weer. Verspreid over twaalf verdiepingen werken tienduizend mensen. Je komt ze tegen bij de Doema-videotheek, de Doema-souvenirwinkel, de Doema-bloemenkiosk en in de Doema-kantine, waar ze het dagmenu - een bal gehakt met aardappelpuree en jus - met wodka wegspoelen.

In een zaal met sleetse stoelen gaat de grootste fractie, die der communisten, in conclaaf. “Ontoelaatbare chantage”, noemen ze Jeltsins dreigement. Daar heb je partijleider Gennadi Zjoeganov, die aanstuurt op een motie van wantrouwen, en ginds de flamboyante Vladimir Semago, 'de rode bankier'. Hij gaat gekleed in een kostuum van Hugo Boss met op de revers een Lenin-speldje.

De communist Semago is de belichaming van de Russische voor-wat-hoort-wat-democratie. Hij is directeur van de Rozbisnesbank, runt een casino en een biljartclub voor Moskouse zakenlieden en zit in de Doema de commissie voor corruptiezaken voor: een felbegeerde post waarin hij - naar willekeur - mensen kan maken of breken. Kennelijk ontvangt hij zulke bedragen voor zijn diensten, dat hij de zes miljoen roebel (tweeduizend gulden) per maand, waar hij als Doema-lid recht op heeft, weigert aan te nemen.

Niet het salaris, maar de spin-off van het Doema-lidmaatschap is interessant. Er zijn afgevaardigden die met een gevolg van honderd 'medewerkers' in deze steenkolos zijn ingetrokken. “Zij hebben hun beschermheer tijdens zijn verkiezingscampagne geholpen. Een Doema-pasje is hun beloning”, zegt de verslaggever van de BBC. Hij schat de prijs van een plek in de Russische Tweede Kamer op vier à vijf ton. Dat moet de kandidaat de partijkas afstaan in ruil voor een verkiesbare plaats op de lijst.

Maar er is nog een andere manier om in de Doema te belanden, met andere spelregels en andere prijzen. Iosif Kobzon, de Frank Sinatra van de Sovjet-Unie wiens bariton Leonid Brezjnev tot tranen toe wist te roeren, heeft die weg vorige maand nog bewandeld: door zich in een afgelegen Siberisch kiesdistrict kandidaat te stellen is de zanger-zakenman op de golven van de Sovjet-nostalgie in het parlement gekozen.

Niet dat hij zich tot de politiek voelt aangetrokken. “Politiek bedrijven doe je om geld te krijgen, of een mooi appartement”, zei hij onlangs. “En dat heb ik al.” De puissant rijke Kobzon is zo dik bevriend met zoveel onderwereldfiguren dat de The Washington Post hem “de tsaar van de Russische misdaad” heeft genoemd. In 1995 is hem een visum voor de VS geweigerd, en in 1996 mocht hij Israel niet in. Door met het diplomatieke paspoort van een volksvertegenwoordiger te zwaaien, hoopt de zanger met meer egards te worden behandeld. Kobzon: “Ik wil niets van de Doema, alleen status.”

Het land besturen komt voor veel leden op de laatste plaats. In februari veroverde Aleksandr Korzjakov, een in ongenade gevallen lijfwacht van Jeltsin, een plaats in het pluche, plus de bijbehorende gedeeltelijke immuniteit voor de wet. Die had hij hard nodig, zo gaf hij zelf toe, om ongestoord zijn compromitterende memoires te kunnen publiceren. Onder zijn collega's is het roddelboek, met veel foto's van een lodderig kijkende president, een bestseller; zij dragen het onder hun oksel naar de zittingen.

Dan zijn er nog de echte criminelen, die niet naar het buitenland zijn uitgeweken maar naar de Doema. “Dit zou je de Russische droom kunnen noemen: je opwerken van ober tot godfather, en dat succes dan bekronen met een zetel in de Doema”, zegt Aleksej Moechin, samensteller van een Who is Who van de Russische mafia.

In dat naslagwerk staan Doema-leden zoals Michail Monastyrski, een van de rijkste ingezetenen van St. Petersburg, die een fortuin zou hebben vergaard met het namaken van merkjuwelen. Namens extreem-rechts heeft hij zitting in de vaste commissie voor geopolitiek. De boksveteraan Michael Gloesjenko staat bekend als 'autoriteit', jargon voor een gerespecteerd bendeleider. In 1978 is hij veroordeeld wegens verkrachting. Sergej Sjasjoerin komt in het handboek naar voren als de grootste afperser van de stad Kazan; hij wordt verdacht van diefstal van vijfhonderd vrachtauto's, maar als sponsor-eigenaar van de plaatselijke voetbalclub kan hij in de ogen van de bevolking geen kwaad doen.

Aan de vooravond van de slag in de Doema, deze week, heeft Jeltsin in een radiotoespraak gewaarschuwd dat het bestuursapparaat geïnfiltreerd is door criminelen: “Zij zijn overal te vinden, in de Doema, op burgemeesters- en gouverneursposten.” De president onthulde dat er in heel Rusland tegen 2.500 bestuurders corruptie-onderzoeken lopen. Minister Koelikov van Binnenlandse Zaken beweerde dat vijftig Doema-leden een strafblad hebben, maar toen hij met namen kwam, bleek dat hij ook dissidenten uit de Sovjet-periode had meegeteld.

De gemiddelde Rus, met zijn grondige afkeer van politiek, keurt het werk van de Doema af. Volgens een peiling heeft slechts zeven procent vertrouwen in het parlement. Om haar slechte naam op te poetsen heeft de Doema de regie over de televisieopnamen begin dit jaar in eigen hand genomen. Te sterk kwam er een beeld naar voren van snurkende, de krant lezende nietsnutten, die af en toe opvlogen om elkaar de huid vol te schelden.

Nog altijd komt het voor dat de ultra-nationalist Vladimir Zjirinovksi of zijn aanhang op de vuist gaat met tegenstanders, het komt alleen niet meer op de televisie. 's Nachts worden er in het parlementsgebouw bacchanalen gehouden, dan vinden de schoonmakers de volgende morgen lege wodkaflessen in de plantenbakken. Vorig jaar stuurden ze een zwartboek naar Jeltsin. “Deurklinken, sloten, wc-papier, zeep, handdoeken, spiegels en elektrische handdrogers, alles verdwijnt in een schrikbarend tempo”, zo citeerde de krant Moskovski Komsomolets hun klaagschrift.

De communisten gaven de nationalisten de schuld, en vice versa. Samen heeft de rood-bruine coalitie een riante meerderheid in de Doema, maar toch lukt het hun niet om een vuist te maken. Scharen ze zich eensgezind achter een motie van wantrouwen, dan nog is hun invloed tot nog toe beperkt.

Of, zoals Doema-voorzitter Gennadi Selezjnov, een communist, het eens formuleeerde: “De grillen van de uitvoerende macht beheersen in Rusland de werkelijkheid. Het lijkt erop dat de 'democraat' Jeltsin een fan is geworden van dezelfde totalitaire methoden waarvan hij de communisten altijd heeft beschuldigd.” De wil van de president is wet.