In Liefde Bloeyende

Tom Lanoye (geb. 1958)

Poker Het is tijd voor open spel, mijn

liefste. De kaarten op tafel. Ik heb

er twee: mijzelf en wat ik schrijf. Ze

zijn van weinig waarde, om niet

te zeggen van geen tel. De

hand van jou is rijker: je lijf

is nog het minste, al is het lang

niet mis. Maar ook illusies heb

je nog, en hoop. Jij hebt alles

wat er is. Toch ben ik soms al

op je uitgekeken, ontkennen heeft

geen zin. Je zult dat ook wel weten:

gewenning is een ziekte, ze slaat

toe van bij het begin, en op het

einde is het beter om te breken.

Ik wil daar nu niet over praten.

Wat komen moet, dat komt. Alleen:

er zal nimmer sprake zijn van schuld.

En nog minder van vergeten. Dat er, in

dit land van kwezels en kastraten

in deze tijd van tegenstand en

onbenul, twee levens waren die

elkander kruisten, met een vuurwerk

van vergeefse woorden, en de troost

van wat lichamelijk tumult.

Dit is nog eens een romantisch liefdeslied, niet omdat het soft en suikertaartachtig zou zijn zoals veel van wat in soap en zang voor romantisch doorgaat, maar omdat het zo helemaal iets heeft van 'wij tweeën tegen de rest van de wereld' en van een vergoddelijking van de ander: Jij hebt alles wat er is. Er is een zekere moed voor nodig - dichtersmoed, wel te verstaan - om als de postmoderne paljas die iedere moderne poëet is zo uitdrukkelijk op te komen voor een moment van zuiverheid temidden van een bombardement van namaak-emoties. De namaak-emoties horen bij de 'kwezels en kastraten' met hun 'tegenstand en onbenul': ze verzetten zich tegen de ware liefde en ze begrijpen niets van de ware liefde. Tegenover hun bombardement plaatst de dichter, nee - geen stilte, maar zijn vuurwerk en tumult. Het vuurwerk en tumult van de op één echt mens van vlees en bloed gerichte aandacht - hoe vergeefs ook - en van de lichamelijkheid. De postmoderne dichter steekt hier zijn nek uit. De eeuwige ironicus houdt even zijn mond. Al komt het vuurwerk ter sprake, de vuurwerk-terminologie die we uit andere gedichten van Lanoye kennen - van Welcome back, crazy Jack tot Hallo, hier ben ik weer - ontbreekt. De dichter lijkt één gedicht lang serieus. Romantisch.

Natuurlijk zitten er addertjes onder het gras. De dichter is geen negentiende-eeuwse romanticus. Hij weet dat hij zijn vuurwerk afsteekt in de kou. Hij weet dat zijn 'volledige moment' zich afspeelt in de leegte. Hij bluft. Hij pokert.

Poker heet het gedicht. Niet: Ik hou van jou. Niet: Zie mij eens. De titel is meteen het grootste addertje. De postmoderne romanticus wéét dat hij van papier is - Het is tijd voor open spel, mijn liefste. De kaarten op tafel. Ik heb er twee: mijzelf en wat ik schrijf - hij ontkomt niet aan het besef van de kloof die er gaapt tussen zijn illusieloosheid en datgene wat hij uit naam van de kunst beweert. Zodra hij het over eerlijkheid heeft - open spel - en zich rechtstreeks tot één iemand richt - mijn liefste - weet hij dat hij aan het pokeren is geslagen.

Hij noemt zijn kaarten 'van weinig waarde'. Dat is niet alleen een literaire bescheidenheidsouverture, dat is ook de manier waarop de ware pokeraar inzet. Het is een formule om zichzelf sterker te maken en een manier om de ander om te tuin te leiden. Daarbij dient het als reliëf om de rijkdom van die ander in de tweede strofe te benadrukken. Maar ook illusies heb je nog... Daar wordt de dreiging al zichtbaar. De 'ik' heeft blijkbaar geen illusies. Als een kurkentrekker boort de slotzin van de tweede strofe zich de volstrekt a-romantische derde strofe in. Want met een verhouding doorgaan terwijl het al afgelopen is, wat is dat voor romantiek? Ik wil daar nu niet over praten. Dat is de sleutelzin van het gedicht. Met een ijzingwekkend gevoel voor timing weet de dichter dat hij nu een gemeenplaats kan laten volgen: Wat komen moet, dat komt. Che sarà sarà. De macht van de gemeenplaats. De waarheid die altijd een gemeenplaats is. Waarna hij wat hij eigenlijk zeggen wou - zijn verdediging van de liefde, zijn apologie van de zuiverheid en wellicht ook van het 'mij zelf' in datgene 'wat hij schrijft' - in retrospectief behandelt. Plotseling spreekt hij in de verleden tijd! Het is een prachtige kunstgreep, om op die manier te doen of je je troef op tafel legt. Er is - na de zo nadrukkelijk gepresenteerde gemeenplaats - een sterke suggestie van authenticiteit. Er is - na zijn blufpoker - de sterke suggestie dat niet de kaart 'wat ik schrijf' maar de kaart 'mijzelf' de troefkaart van de dichter is. Bedrog natuurlijk, maar dat is wat hij beoogde. De moderne romanticus heeft het niet gemakkelijk. Hij sleept niet alleen de romantiek, maar ook honderdvijftig jaar poëtische ontwikkeling en, niet te vergeten, een stukgeslagen wereld met zich mee.

Poker lijkt ook technisch bedrieglijk veel op een ouderwets gedicht, met zijn vijfmaal vijf regels en zijn talrijke binnenrijmen en stafrijmen. Dat vuurwerk van vergeefse woorden en die troost van wat lichamelijk tumult aan het slot, het is een soort stijlfiguur - met iets kruisgewijs antithetisch erin, zeg maar - waarvoor vast een prachtige naam bestaat. Waar het om gaat is - en de organisatie van de verbale structuur, poëzie geheten, benadrukt het alleen maar - dat de dichter uiteindelijk zegt: dit ben ik niet zelf. Dit is wat ik schrijf. Twee levens die elkander zó kruisen, het is de worp van een dobbelsteen.