Het bewonderde en verguisde poldermodel is een fictie

Nederland is helemaal geen 'modelland' voor economisch succes, aldus Hans Wijers. Het heeft zich heel moeizaam aangepast - en is daar overigens nog lang niet mee klaar.

Superlatieven leken de afgelopen maanden in de buitenlandse pers ontoereikend om de economische successen van Nederland te beschrijven: 'Le Miracle Néerlandais', 'Das Wirtschaftswunder', 'The Dutch Miracle' en ongetwijfeld is het vermeende wonder in nog meer talen beschreven. Blijkbaar kent de internationale verslaggeving ook een automatisch evenwichtsmechanisme: 'Debunking the Dutch Myth' (Financial Times) en 'Holland isn't heaven' (The Wall Street Journal) ontmaskerden de Nederlandse prestaties recent als een moderne vorm van “beggar thy neighbour policy”, waarbij ook nog eens de groei van de werkgelegenheid grotendeels is gebaseerd op herverdeling van arbeid.

Het is onjuist de gunstige economische ontwikkelingen van de afgelopen jaren zo te bagatelliseren. Tegelijkertijd is de stelling dat deze ontwikkelingen grotendeels te danken zijn aan de consensus in de polder ook moeilijk vol te houden. Eerst maar eens de feiten: met de ontwikkeling van de Nederlandse economie gaat het goed, maar we zijn er nog lang niet. Het gaat goed met de economische groei, de toename van de werkgelegenheid bereikt recordniveaus, het aantal inactieven met een uitkering neemt voor het eerst in jaren af en dat alles bij een overheidstekort onder de 2 procent en een sterk dalende staatsschuld.

Ondanks deze gunstige ontwikkeling laat het welvaartsniveau, gemeten aan het inkomen per hoofd van de bevolking, nog te wensen over: een zevende plaats in de Europese Unie. Hetzelfde geldt voor de arbeidsparticipatie: in personen gemeten weliswaar boven het Europese gemiddelde, in arbeidsjaren maar 53 procent en daarmee ruim achter andere Europese landen. En misschien wel het meest zorgelijke: we hebben nog steeds bijna 2,5 miljoen personen met een uitkering onder de 65 jaar. Hoe je het verder precies meet, doet er weinig toe: iedereen is het er wel over eens dat de echte werkloosheid - mensen die onvrijwillig langs de kant staan - ver boven de zes procent officiële werkloosheid ligt.

Wat is nu precies de achtergrond van deze prestaties? De jaren tachtig en negentig is de basis van onze economie onmiskenbaar versterkt. Zowel bij bedrijven als bij de overheid is flink gesaneerd. Zo is ruimte gecreëerd voor verlaging van het financieringstekort en voor lastenverlichting. Het monetair beleid heeft via koppeling aan de D-mark voor lage inflatie en rente gezorgd. Loonkostenmatiging, ondersteund door lastenverlichting en allerlei maatregelen in de sociale zekerheid, heeft gezorgd voor winstherstel (en dus investeringen), een verminderde uitstoot van arbeid uit het productieproces en een versterking van de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven.

De vergelijking van het beleid van loonkostenmatiging met valutaconcurrentie ('beggar thy neighbour policy') is onzinnig: dat miskent de aard van het structurele werkloosheidsprobleem in de Europese landen. Loonkostenmatiging is geen recept voor verhoging van de effectieve vraag uit het buitenland, maar een manier om de winstgevendheid en investeringen van bedrijven te bevorderen en de uitstoot van arbeid uit het productieproces te verhinderen. Iedereen die daaraan twijfelt, raad ik aan de cijfers van eind jaren zeventig en begin jaren tachtig tot zich te nemen: in de jaren 1981 tot en met 1983 verloor Nederland zo'n 100.000 banen per jaar (in drie jaar ging circa zes procent van de werkgelegenheid verloren), bij een winstgevendheid die tot ongeveer nul was gereduceerd.

Is er nu in de jaren tachtig en negentig sprake van een 'model' voor economisch beleid dat permanent succes mogelijk maakt en kan fungeren als voorbeeld voor andere landen? Sommigen menen van wel en wijzen dan op de consensus in ons land. Hier lijkt me sprake van een misverstand. Het beleid van gezondmaking van de overheidsfinanciën en de bedrijfswinsten is bepaald geen free lunch gebleken.

De kabinetten in de jaren tachtig moesten impopulaire maatregelen nemen (bevriezen minimumloon en uitkeringen, een korting op de ambtenarensalarissen enzovoorts), het derde kabinet-Lubbers had grote problemen met de WAO-kwestie en ook het paarse kabinet heeft, maar dat Iijkt iedereen vergeten, flink moeten ombuigen. Kortom, Nederland afschilderen als een 'modelland' waar de derde weg is gevonden en waar de consensus zorgt voor pijnloos aanpassen, is onjuist.

De levenscyclus van voorbeeldlanden is overigens kort. Wie herinnert zich nog de opwinding over het 'Zweedse model', toen ook al omschreven als een derde weg tussen rauw kapitalisme en overmatig overheidsingrijpen in de economie? De waarheid is vermoedelijk, en dat kan een teleurstelling vormen voor hen die graag in dromen geloven, dat het ideale sociaal-economische model simpelweg niet bestaat, in geen enkel land. Dat zou ook betekenen dat Nederland niet een dergelijke functie kan vervullen, hoe graag sommige buitenlandse (vooral Europese) reporters dat ook zouden willen.

Wat er werkelijk is gebeurd in Nederland, is dat binnen de institutionele kaders, zoals die al veel langer bestaan, verstandig economisch beleid is gevoerd. Er heeft dus geen plotse 'modelwijziging' plaatsgevonden in de jaren tachtig. De overgang naar het herstelbeleid van de jaren tachtig was er een waarin de vicieuze cirkel van de jaren zeventig van stijgende loonkosten, afkalvende werkgelegenheid en toenemende lasten werd doorbroken door een andere maatvoering van de overheidsinterventies. De overheid deed een noodzakelijke, forse stap terug, waarbij het vooral om minder ging en niet zozeer om anders.

In het begin van de jaren negentig bleek dat 'minder' moest worden gecombineerd met 'anders': de vooruitzichten ten tijde van de groeirecessie van 1993 waren pover. Veel van de behaalde winst in de jaren tachtig dreigde weg te vloeien. Het besef groeide toen dat alleen optimalisatie van beleid binnen bestaande institutionele kaders onvoldoende was, zeker gegeven alle snelle veranderingen in onze omgeving - denk aan de internationalisering, de snelle ontwikkelingen in de informatie- en communicatietechnologie en de individualisering. Het sociaal-economisch bestel was zelf aan vernieuwing toe.

Het vorige kabinet heeft hiermee een begin gemaakt met de maatregelen in de Ziektewet. Die lijn heeft het paarse kabinet volop doorgezet met bijvoorbeeld de nieuwe Mededingingswet, die Nederland van kartelland naar competitieland moet brengen, en de volledige privatisering van de Ziektewet (onder handhaving van wettelijke normen voor hoogte en duur van de uitkering, die afwenteling op het collectief minder aantrekkelijk maakt).

Deze voorzichtige schreden op het pad van institutionele vernieuwing moeten hun uitwerking nog grotendeels gaan krijgen. Bij de Ziektewet en de winkeltijdenwet zijn de eerste indicaties gunstig. Er liggen echter nog grote 'modeluitdagingen' voor ons: hoe bereiden we bijvoorbeeld het fiscale stelsel voor op de 21e eeuw?, hoe geven we een systeem van levenslang leren vorm zodat de employability van mensen wordt gewaarborgd?, hoe zorgen we dat de klanten van de publieke sector waar voor hun geld krijgen?, hoe zorgen we ervoor dat mensen hun werk en zorgtaken beter kunnen combineren?, hoe zorgen we er voor dat een end-of-pipe-benadering bij ondernemingen voor het oplossen van milieuproblemen verandert in totale vernieuwing van van product- en procesontwikkeling? Hier kunnen internationale vergelijkingen nuttig zijn. Niet om een land tot paradijs te verklaren, maar om te proberen te leren van gunstige ervaringen in andere landen. Half oktober brengt Economische Zaken dan ook een tweede concurrentietoets uit, waarin Nederland op een groot aantal terreinen wordt vergeleken met België, Duitsland, Denemarken, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Japan.

De meeste dromen zijn bedrog. Dat geldt ook voor het afschilderen van de Nederlandse economie als het voorbeeld van moeiteloze aanpassing, als een modern wonder in de polder. Sinds het begin van de jaren tachtig heeft Nederland de juiste instrumentenmix gehanteerd en zo de financiële basis weer grotendeels op orde gebracht.

Echter, de grote uitdagingen van de toekomst vragen om meer, niet van hetzelfde, maar om aanpassingen van institutionele arrangementen zelf. De aanpassingen in de jaren tachtig en begin jaren negentig bleken al niet gemakkelijk, institutionele vernieuwing zal dat zeker niet zijn. Nodig is het wel, om Nederland naar de Europese top te brengen en om te voorkomen dat de opgaande lijn die het nu te pakken heeft, wordt gevolgd door een nieuwe periode waarin het internationaal achterblijft.