De terugkeer van het spook

Wie heeft het tegenwoordig nog over inflatie? Het is een schimmig verschijnsel dat in de vergetelheid is geraakt. Inflatie was iets uit de jaren zeventig toen de olieprijzen verviervoudigden en de gedachte populair was dat een beetje meer inflatie tot een beetje meer groei zou leiden.

Deze zogenoemde Phillips-curve is sindsdien bij het vuilnisvat van de economische geschiedenis gezet en de strakke hand van de centrale bankiers heeft de inflatie beteugeld. In de Verenigde Staten, het land van de economische trends, beweren gezaghebbende analisten dat het tijdperk van het einde van de inflatie is aangebroken.

Niet iedereen is deze mening toegedaan. Sommigen zien de inflatiedruk oplopen. Nederland dient daarbij als voorbeeld. Zo waarschuwde het Internationale Monetaire Fonds vorige maand voor de dreigende oververhitting van de Nederlandse economie.

De kortste omschrijving van inflatie is dat te veel geld op jacht is naar te weinig goederen. Dan gaan de prijzen omhoog. Anders gezegd: dan koopt een gulden morgen minder dan vandaag.

Centrale bankiers, de bewakers van de koopkracht van het geld, definiëren een inflatiepercentage onder de 2 procent als “prijsstabiliteit”. Volgend jaar verwacht het Centraal Planbureau voor Nederland een inflatie van 2,5 procent. Dat is nog niet zo veel, maar er is wel sprake van een stijgende lijn sinds 1995 en Nederland zal in 1998 het hoogste inflatiepercentage van de EU hebben. Stiekem steekt het inflatiespookje zijn kop weer op.

Bezorgdheid over de oplopende inflatiedruk ligt ten grondslag aan het meningsverschil tussen minister van Financiën Zalm en president Wellink van De Nederlandsche Bank over de begroting voor 1998. Zalm vindt dat hij een 'droombegroting' heeft ingediend, met een daling van het financieringstekort die er wezen mag, en met een evenwichtige verdeling van de extra inkomsten tussen lastenverlichting en tekortvermindering. Wellink heeft als kritiek dat de lastenverlichting volgend jaar de economie nog verder aanwakkert en dat daarom het financieringstekort extra had moeten worden verlaagd.

Het is een discussie over nationaal conjunctuurbeleid tegen de achtergrond van de Economische en Monetaire Unie. Met als opmerkelijk gegeven dat het sturingsinstrument van de centrale bank, de rente, in de aanloop naar de monetaire unie niet langer inzetbaar is.

Volgens Zalm valt het wel mee met de oververhitting van de economie waarvoor het IMF waarschuwt. Tegelijkertijd erkent hij dat het kabinet ook voor een iets andere policy mix, de verdeling tussen lastenverlichting en tekortvermindering, had kunnen kiezen. “Ik doe er tamelijk laconiek over”, zei Zalm eind vorige maand, “maar als het geen evenwichtige begroting zou zijn, dan had ik hem niet ingediend.”

Wat de politieke conjunctuur betreft is er ook niets mis mee. Volgend jaar gaat iedereen er een beetje op vooruit en het AOW-fonds fungeert als een slot op de schatkist. Maar de economische conjunctuur trekt zich van verkiezingsdata niets aan. De Nederlandse economie draait gesmeerd. Op sommige plaatsen begint zich een tekort aan arbeidskrachten voor te doen. Door de lage rentestand is geld goedkoop. De stijging van de dollarkoers begint zich te vertalen in hogere importprijzen. Bovendien begint de Duitse economie flink aan te trekken. Dat zal een externe impuls aan de Nederlandse bedrijvigheid geven. En daar komt dan nog een interne bestedingsimpuls, in de vorm van 3,7 miljard gulden lastenverlichting voor 1998, bovenop. Bij sommigen bestaat de vrees dat deze double whammy volgend jaar zal leiden tot een economische groeispurt die zich vervolgens vertaalt in verdere stijging van de lonen en prijzen.

Er is nog iets. De landen van de Europese Unie hebben deze zomer in Amsterdam in het Stabiliteitspact vastgelegd dat ze streven naar een begroting die onder normale omstandigheden in evenwicht is of een overschot vertoont. Nederland zit daar, poldersucces of niet, nog altijd boven: volgend jaar wordt een tekort van 1,7 procent verwacht. Misschien valt het iets lager uit, maar in de Kamer tekent zich een brede coalitie af van VVD, PvdA, D66 en CDA die dik tevreden is met een tekort van minimaal één procent.

Nog steeds lijkt niet te zijn doorgedrongen hoe verregaand de betekenis van de Economische en Monetaire Unie voor het Nederlandse beleid is. Het enig overgebleven sturingsinstrument na invoering van de euro bestaat uit de flexibiliteit van het begrotingsbeleid binnen de grenzen van het Stabiliteitspact. Dit Stabiliteitspact is eigenlijk een terugkeer naar de oorspronkelijke regels van de conjunctuurpolitiek van Keynes: een begrotingsoverschot in tijden van hoogconjunctuur en ruimte voor een oplopend tekort in tijden van een recessie.

Met deze 'getemde Keynes' wordt de hand gelicht, terwijl Nederland zich nu al in een 'pseudo-EMU'-situatie bevindt. De economische groei is hier hoger dan in Duitsland, maar de rentestand wordt bepaald door de Duitse conjunctuur. De Nederlandsche Bank kan de binnenlandse groei niet afremmen met een zelfstandige renteverhoging, maar moet wachten op een rentebesluit van de Duitse Bundesbank.

Verschillen in fasen van de conjunctuur zullen zich in de toekomst ook voordoen als de Europese Centrale Bank een gemiddeld renteniveau voor de EMU-landen bepaalt. Dan moeten nationale overheden nog meer nadruk leggen op hun begrotingsbeleid als sturingsinstrument en daarvoor is slechts ruimte als de begroting in tijden van groei min of meer in evenwicht is. Op die manier kunnen economische schommelingen worden opgevangen en kan de terugkeer van het inflatiespook worden voorkomen.