Baan-voor-het-leven op de helling

De vaste baan gaat eraan, lijkt het credo van Philips. Onder het motto employability wil het concern flexibeler arbeidscontracten. Employability blijkt een containerbegrip: werkgevers, werknemers en politici verstaan er ieder iets anders onder.

SCHEVENINGEN, 9 OKT. Laborant F. Gidding van papierfabriek Parenco overweegt een cursus bedrijfsbeveiliging. Dat is iets heel anders dan zijn werk als laborant. “Voor eventueel”, motiveert hij zijn keuze. “Voor als mijn functie in gevaar komt en ik moet solliciteren naar een andere baan. Maar dan in de beveiliging.”

Gidding werkt aan zijn employability, een begrip waar kennelijk geen goed Nederlands woord voor is. Employability, een contaminatie van employment en ability (of adaptability, dat weet niemand meer), wil zoveel zeggen als het vermogen aan het werk te blijven of 'werken aan inzetbaarheid'. Het was gisteren het onderwerp van een congres van het ministerie van Economische Zaken.

Wat het begrip zal betekenen voor werknemers was tot gisteren een academische vraag. Op dezelfde dag als waarop het congres werd gehouden, maakte Philips employability concreet. Onder die vlag wil het concern een flexibel systeem van arbeidsvoorwaarden waarmee werknemers sneller doorstromen naar andere functies en de salariëring sterker afhangt van de prestaties van het personeel. De vaste baan gaat eraan, was de onmiddellijke vertaling waarop de ministers Melkert en Wijers tegengesteld reageerden. De eerste is tegen de methode-Philips, Wijers is voor.

Over de noodzaak van employability zijn de beide bewindslieden het wel eens. De kloof tussen wat een werknemer kan en wat een werkgever van hem vraagt moet permanent worden gedicht. Pas dan onstaat er een optimale internationale concurrentie positie voor Nederlandse bedrijven. De hoop is bovendien dat werknemers langer interessant blijven voor wergevers en dus langer, bij voorkeur tot hun vijfenzestigste, aan het werk blijven. De kosten voor de toenemende vergrijzing kunnen dan door meer mensen worden gedragen.

Niet bekend

Premier Kok vatte de noodzaak van employability samen met de woorden: “De baan-voor-het-leven behoort tot het verleden.” Het zal niet langer de eerste zorg zijn van een werknemer om zijn baan te houden. Een werkgever blijft immers niet veertig jaar in dezelfde werknemer geïnteresseerd. “De baanzekerheid wordt steeds kleiner”, zei Kok gisteren, “en wordt vervangen door werkzekerheid.”

Belangrijkste opdracht voor de werknemer van de toekomst is niet zozeer om een baan te houden, maar om aan het werk te blijven. Dat werk kan de vorm hebben van eenzelfde functie bij verschillende werkgevers, verschillende functies bij één werkgever of alles wat daar tussenin valt. Het wordt de taak van de werknemer om voor de werkgever aantrekkelijk te blijven, of in de woorden van Kok, “om zijn duurzame inzetbaarheid veilig te stellen”.

Hoe moet een werknemer dat doen? De verschillende antwoorden van werkgevers en werknemers op die vraag geeft meteen aan hoe ruim het begrip wordt geïnterpreteerd. Werknemersorganisaties zien bijvoorbeeld een jaar-er-tussenuit, in de gebruikelijke Angelsaksische terminologie sabbatical leave, ook als een manier om aan de inzetbaarheid te werken. Als de nieuwe verlofwetten volgend jaar van kracht worden, kan een kantooremployee er een jaartje met de zeilboot op uit. Daarbij kan hij zoveel nieuwe energie opdoen dat hij voor zijn oude of nieuwe werkgever weer jaren meekan, menen de bonden.

Werkgevers zien dat anders. Die vertalen werken-aan-employability uitsluitend met scholing. Dat kan een stage zijn, een cursus of 'training on the job', zolang het maar nauwer verbonden is met werk dan met de invulling van vrije tijd.

Het belang van scholing wordt ook door de werknemers onderstreept. Volgens voorzitter M. Spanjers van de Dienstenbond FNV is het evenwel een misverstand te denken dat na die scholing automatisch een promotie in het verschiet ligt. “Het gaat bij die employability-scholing vooral om lager en middelbaar personeel en voor hen dient scholing juist om op hetzelfde niveau te kunnen blijven”, aldus Spanjers.

Ook al zijn vakbonden en werkgevers het eens over het belang van scholing, waar Nederlandse ondernemers twee miljard gulden per jaar aan besteden, minder overeenstemming bestaat over de vraag wie dan het initiatief moet nemen tot die scholing, de werkgever of de werknemer. Dan verwijzen sociale partners naar elkaar.

“Als het initiatief niet van bovenaf komt, gebeurt er niets”, stelde voorzitter D. Terpstra van de Industrie- en Voedingsbond CNV. Directeur Karhof van de gelijknamige carrosseriefabriek had een andere ervaring. Zonder ze ergens toe te verplichten wees hij zijn werknemers op de mogelijkheid cursussen te volgen om de kennis en vaardigheden op peil te houden. Bittere noodzaak, omdat de buitenlandse concurrentie in hoog tempo bedreigend wordt voor de Nederlandse carrosseriebranche. “Wij wilden de verantwoordelijkheid naar de werkvloer brengen, maar die verantwoordelijkheid wordt niet genomen”, verklaarde Karhof. “En ikzelf heb niet de juiste opleiding gehad om mijn mensen van de noodzaak van employability te doordringen.”

Volgens voorzitter Th. Evers van de werkgeversorganisatie van het midden- en kleinbedrijf (MKB) zijn dergelijke voorbeelden van mislukte initiatieven vooral te vinden in het MKB. Het midden- en kleinbedrijf wordt door Kok steeds betiteld als de 'banenmotor van Nederland'. Als een werkgever aan de 'duurzame inzetbaarheid' van zijn werknemers wil werken, is het besef van een bedrijfsvisie op de toekomst, een te volgen koers, onontbeerlijk. En dat is precies waaraan het werkgever van zes à zeven man aan ontbreekt, meent Evers.

De MKB-voorzitter had een tweede reden om terughoudend te zijn met het scholen van werknemers. Het bedrijf waar hij directeur van is, kreeg een order uit Duitsland waarvoor dringend hooggekwalificeerde lassers gewenst waren. Evers wist enkele van zijn lassers te bewegen tot het volgen van een aanvullende cursus. “Maar daardoor werden ze zo slim dat ze zich beter voelden dan de overige lassers”, vertelde Evers, “en dus kwamen ze ook maar meteen om meer loon vragen.”