Akzo-topman blij met 'Turkse connectie'

Akzo Nobel besloot eerder deze week de slecht renderende productie van industriële vezels in een joint venture met de Turkse Sabanci-groep onder te brengen. Bestuurslid Fröhlich sluit niet uit dat ook de matig renderende viscose-vezelproductie van de hand wordt gedaan.

ARNHEM, 9 OKT. Afwisselend in het Duits, Engels en Nederlands en druk gebarend geeft dr. Friedrich Fröhlich in een sobere kamer op het hoofdkantoor van Akzo Nobel blijk van zijn “opluchting” dat het gelukt is voor zijn business unit industriële vezels in de Turkse Sabanci Groep “een partner te vinden die zorgt voor continuïteit”.

Friedrich Fröhlich is binnen de raad van bestuur van Akzo Nobel verantwoordelijk voor de groep Vezels. Geen dankbare taak, want de financiële resultaten van deze Groep laten al jaren ernstig te wensen over. Binnenkort volgt hij jhr.mr. H.A. van van Karnebeek, die met pensioen gaat, op als vice-voorzitter van de raad van bestuur en chief financial officer (financiële topman) van het concern.

Door slechte marktomstandigheden en te hoge kosten werd het bedrijfsresultaat van de vezelproductie vorig jaar bijna gehalveerd tot 58 miljoen gulden, een daling tot 2,4 procent van de netto-omzet (in 1995 4,4 procent). In het tweede kwartaal van dit jaar trad een verdere daling op tot 2 procent van de netto-omzet, niet eens voldoende om de financieringskosten terug te verdienen.

“We hadden ons personeel van industriële vezels al eerder ingelicht dat er iets in de lucht hing. Over deze oplossing, een joint venture met Sabanchi, is men over het algemeen positief tot gematigd optimistisch gestemd, omdat de werkgelegenheid nu redelijk verzekerd is, want Sabanci wil met ons personeel en ons management doorgaan. De slechtste reactie was een neutrale”, zegt Fröhlich. “Onze bestaande reorganisatieplannen worden doorgezet om de kosten verder omlaag te brengen en de business unit productiever en winstgevender te maken. Dan praten we nog over 70 banen in Emmen en een significante vermindering in Duitsland. Maar er is geen sprake van extra personeelsinkrimpingen door de vorming van deze joint venture. Integendeel, Sabanci wil met ons waar mogelijk expanderen en globaliseren. We onderzoeken bijvoorbeeld de mogelijkheid van samenwerking met een bedrijf in de Chinese stad Wuxi, dat zijn polyesterproductie met de technologie van Akzo Nobel wil moderniseren en uitbreiden.”

In 1969, toen Akzo uit een fusie tussen AKU en KZO ontstond, maakte de vezelproductie nog meer dan 50 procent van de omzet uit, naast de chemie, zoutwinning en farma (Organon). In 1991, toen Fröhlich aantrad, was dat geslonken tot 25 procent en na de verkoop van 50 procent van de industriële vezels zal daar nog maar 8 procent van over zijn.

“De eerste oliecrisis van 1973 leidde tot een enorme prijsstijging voor onze grondstoffen en noopte tot de eerste herstructureringen. Voor een aantal producten is er vandaag nog sprake van een overcapactiteit en blijven de prijzen onder druk staan, vooral in Europa”, zegt hij. “Het gaat om een zeer competitieve markt van producten die overwegend aan de auto zijn gerelateerd: 60 procent voor versteviging van banden en een belangrijk deel voor veiligheidsgordels en airbags. Je moet voortdurend moderniseren en innoveren, en dat kost veel geld. Eigenlijk kun je dat alleen met een partner volhouden.”

Vezels behoren niet meer tot de kernactiviteiten van Akzo Nobel en dus komt de joint venture met Sabanci goed van pas. “Akzo Nobel wil zich concentreren op marktsegmenten met een hoog groeipotentieel en hoge winstmarges, zoals onze farmaceutische producten.” Fröhlich houdt er rekening mee dat de Turkse onderneming op den duur streeft naar een meerderheidsbelang in het nieuwe vezelbedrijf, zodat het belang van Akzo Nobel nog verder terugloopt.

Het rendement in de vezelsector mag dan laag zijn, één lichtpuntje wil de Akzo-directeur wel signaleren: “Door al onze reorganisaties en kostenbesparingen zitten wij met het rendement als percentage van de omzet en van het geïnvesteerd vermogen duidelijk hoger dan de concurrentie.” Hoeveel precies wil hij niet kwijt, evenmin als de winstmarges per business unit binnen de vezelsector. Wel maakt Fröhlich duidelijk dat de industriële vezels niet het slechtste onderdeel zijn: daar maken we winst op, al is die veel te laag. Onze doelstelling blijft, ook voor de joint venture, om het rendement op de omzet binnen drie jaar op te krikken naar 7 tot 10 procent en het rendement op geïnvesteerd vermogen naar 12 tot 15 procent.”

De industriële vezels (45 procent van de totale groep) zijn momenteel nog winstgevend, maar de textielvezels (viscose), goed voor 32 procent van de het totaal, noemt Fröhlich “het grootste zorgenkind”. “Hier lijden we verlies door grote prijsproblemen. Viscose wordt in zeer modegevoelige producten verwerkt, zoals kleding en voeringen. Een economische teruggang zoals in Duitsland, met 11 procent werkloosheid, vertaalt zich direct in druk op de prijzen. Door een deel van de arbeidsintensieve productie van Nederland en Duitsland naar Polen te verplaatsten, hebben we de kosten drastisch kunnen verlagen. We gaan er vanuit dat we de textiel viscose door ingrijpende maatregelen binnen drie jaar weer in de zwarte cijfers krijgen.” Op de vraag of Akzo Nobel ook de viscose wil afstoten als er een goede partner wordt gevonden, zegt de directeur: “We sluiten niets uit.”