Resectietandarts; Gaten vullen

Hij ziet eruit als een gewone tandarts, met een witte jas, een spreekkamer en een behandelstoel. Alleen ontbreken hier de boren, slangen en andere werktuigen die een tandartsenpraktijk doorgaans tot een gruwelkamer maken. Adriaan Timmers vult dan ook geen gaatjes in kiezen en tanden, maar holten in het menselijk hoofd.

Hij en zijn collega Steven Gonggrijp werken in het Nederlands Kanker Instituut / Antoni van Leeuwenhoekhuis, waar tumoren bij patiënten worden verwijderd. Gebeurt zoiets in het hoofd-halsgebied, dan wordt vaak ook het gehemelte weggehaald. Met als gevolg een open verbinding tussen mond en neusholte, waardoor de patiënt niet meer kan slikken of praten. De tandartsen zorgen ervoor dat hij een inwendige prothese krijgt, een zogenoemde resectieprothese. Omdat het menselijk hoofd hol is, zijn er maar weinig steunpunten voor: juk- of kaakbeenderen en wangspieren moeten houvast bieden, als ze tenminste niet samen met het gezwel worden weggesneden.

Timmers: “Het is dus belangrijk dat we bij de operatie aanwezig zijn. Zodat we tijdig kunnen zeggen: bouw het nog iets uit of neem nog wat weg. Als je achteraf een prothese moet maken, lukt dat vaak niet meer. Dan kijk je soms recht iemands keel in en kan de keuze zijn of helemaal niets, of een hulpstuk dat slecht past.”

De patiënt kan zelfs al voordat zijn echte prothese gereed is, eten, drinken en praten. Want direct nadat de chirurg de ontstane holte heeft gedicht met een gesteelde vrije lap (meestal gehaald uit de borstspier, de onderarm of de kuit met huid, spier en bot), verwarmt Timmers in de operatiekamer een plak gutta percha. Deze rubbersoort wordt in het defect gemodelleerd en dient om het huidtransplantaat in de gewenste vorm te houden tot de wond genezen is. Eenmaal afgekoeld is het zwarte goedje keihard en tevens de mal voor de uiteindelijke prothese. De tandartsen maken er een exacte kopie in kunsthars van, waarna de tandtechnicus er tanden en kiezen aan bevestigt.

Timmers zweert niet alleen bij deze methode, hij kan zich ook niet voorstellen dat de toekomst iets beters brengt: “Misschien dat we dankzij de microchirurgie en die vrije-lap-techniek nog eens een bovenkaak kunnen fabriceren, maar een uitneembare klos blijft. Je moet de holte immers kunnen schoonmaken en inspecteren, dus die zal nooit met een permanente prothese worden opgevuld.”

In zijn spreekkamer ontvangt hij regelmatig buitenlandse collega's, die de goedzittende protheses verlekkerd bekijken. Over de grens brengt men veel vaker vaste implantaten aan. Dat vindt Timmers mindere hulpmiddelen omdat ze op een gegeven moment moeten worden vervangen.

In sommige andere landen vindt de chirurg dat de tandarts maar moet zorgen dat het goedkomt. Timmers heeft liever het teamwork waar het Amsterdamse ziekenhuis bekend om staat: “Als ik een probleem heb, kan ik gelijk overleggen met een KNO-arts, een radiotherapeut of een internist.”

Ook Timmers werkt wel eens met implantaten, als het niet anders kan. Op zijn handpalm liggen piepkleine schroefjes van titanium, waar het bot zich aan kan hechten. Nadat het schroefgedeelte in het bot is bevestigd, kun je er met kleine magneetjes tanden of kiezen op vastmaken.

In de jaren dat hij als tandarts in het Antoni van Leeuwenhoekhuis werkt, zijn vooral de patiënten veranderd - tumoren worden tegenwoordig veel eerder ontdekt, dus de schade is kleiner dan vroeger. Timmers: “Ik denk dat de halfjaarlijkse controle bij de tandarts daar de oorzaak van is. Je zegt toch eerder tegen een tandarts 'kijk eens naar dat plekje, daar kriebelt het zo' dan dat je ermee naar een huisarts gaat.”

Een resectieprothese gaat zo'n vijftien tot twintig jaar mee. Het gezicht groeit er als het ware omheen. Is er eentje gebroken, dan is het heel moeilijk om een betere prothese te maken dan de oude die een patiënt al jarenlang heeft gedragen.