Op twee benen naar volgende eeuw

Alle EU-ministers van sociale zaken kwamen gisteren in Luxemburg bij elkaar om de werkgelegenheidstop van 21 november voor te bereiden. EU-voorzitter Luxemburg wil op die top cijfermatige doelen stellen. Nederland is daar tegen.

LUXEMBURG, 8 OKT. Nederland beleefde een Europees hoogtepunt met de Eurotop in Amsterdam en Luxemburg wil ook zo'n mijlpaal. Amper vijf maanden na 'Amsterdam' moet er op 21 november in Luxemburg een top komen van Europese staats- en regeringsleiders over werkgelegenheidsbeleid. “Na jarenlang mooie teksten over de werkgelegenheid te hebben gesproken, moeten nu spijkers met koppen worden geslagen”, vindt de huidige EU-voorzitter Luxemburg bij monde van de premier van het groothertogdom, J. Juncker. De premier beschouwt zijn top in november pas als een succes als die eindigt met drie à vier concrete “cijfermatige richtsnoeren” om de werkgelegenheid te stimuleren en de werkloosheid te bestrijden.

Wat zijn cijfermatige richtsnoeren? Volgens Juncker moet daarbij gedacht worden aan bijvoorbeeld een maximale periode waarin iemand werkloos is. Zes maanden mag dat zijn voor jongeren en twaalf maanden voor overige werklozen.

Juncker nam dit over van de Europese Commissie, die vorige week een voorstel presenteerde om de werkloosheid in Europa aan te pakken. Naast de twaalf of zes maanden dat mensen maximaal werkloos mogen zijn, wil de Commissie ook dat binnen vijf jaar 65 procent van de Europeanen die kunnen werken ook daadwerkelijk werkt. Dit cijfer van de participatiegraad moet doorstijgen naar zeventig, terwijl het nu nog 60,4 procent is. Ook stelde Commissievoorzitter Santer voor de werkloosheid in de EU terug te brengen van 11 procent nu naar 7 procent. Daartoe zouden 12 miljoen nieuwe banen moeten worden geschapen.

De zeven procent kan wat Juncker betreft alweer in de ijskast. De EU-voorzitter is bang dat het percentage een eigen leven gaat leiden en dat landen die er (ruim) onder zitten, zoals zijn eigen land en Nederland, op hun lauweren gaan rusten. Belangrijker is daarom de manier waarop de verschillende lidstaten elk op hun eigen wijze die doelstellingen gaan halen.

Juist omdat de problemen bij de vijftien lidstaten zo verschillen en de manieren om ze aan te pakken evenzeer, is Nederland niet erg genegen het enthousiasme van het bescheiden Luxemburg voor de kwantitatieve doelen te delen. Volgens minister Melkert (Sociale Zaken) is het “riskant” om met percentages en getallen te komen. Sterker, de top waarmee Juncker zoveel eer mee wil inleggen, komt wat Melkert betreft “feitelijk één jaar te vroeg”.

Melkert doelt op de invoering van de euro: pas als die er is doet de noodzaak zich gevoelen om met cijfermatige doelstellingen voor de werkgelegenheid te komen. Want volgens Melkert hangt alles met alles samen: monetair-economisch beleid dat de euro moet schragen kan onmogelijk los worden gezien van sociaal beleid. “Europa moet op twee benen naar de 21ste eeuw lopen”, wordt Melkert niet moe te verklaren: “het economische en het sociale been.”

De kwantitatieve criteria voor het sociale ledemaat zijn vergelijkbaar met de criteria die rondom de deelname aan de eenheidsmunt hebben gespeeld, zoals het financieringstekort dat niet boven de drie procent mag komen en de staatsschuld die in een behoorlijk tempo in de richting de zestig procent dient te benaderen. Hèt werkgelegenheidscriterium ziet Melkert in de door de Europese Commissie gehanteerde participatiegraad. Inclusief mensen die in deeltijd werken, noteerde Nederland vorig jaar het niveau dat de EU over vijf jaar wil halen: 65 procent. “Voor mijn part zegt de Commissie zeventig”, zegt Melkert, “waar het om gaat is dat het een cijfer is dat uitdrukt hoeveel personen werkloos zijn.” Dit houdt een erkenning in van deeltijdwerk. Wanneer gekeken wordt naar de participatie in arbeidsjaren noopt de Nederlandse prestatie tot bescheidenheid.

Hoewel Nederland het criterium ruim haalt, moet het er volgens Melkert evenzeer voor waken aan het streefcijfer opgehangen te worden. Het gaat niet om het halen van een bepaald cijfer, maar om de vraag of er een dalende of stijgende trend is. Bovendien hangt rondom een criterium de geur van een bindende sanctie, zoals het verbod toe te treden tot de euro bij het niet halen van de EMU-criteria. Het halen van werkgelegenheidscijfers is een nationale zaak, vindt Nederland, en daarbij past geen Europese stok achter de deur.

Als de wijze waarop Nederland de top van Juncker tegemoet treedt dezelfde is als die van de overige EU-lidstaten, dan zal die werkgelegenheidstop vermoedelijk niet de mijlpaal en de kroon-op-het-werk worden die het Luxemburgse voorzitterschap voor zich ziet. Om Juncker toch enkele van zijn gedroomde “concrete resultaten” te gunnen, dient wat Nederland betreft de wijk genomen te worden naar een van de voorstellen van het Europees parlement.

De EP-commissie Sociale Zaken kwam onder leiding van PvdA'er W. van Velzen namelijk met enkele voorstellen waarmee de top op 21 november haar voordeel kan doen. De commissie stelt voor dat elk land zijn nationale budget voor scholing en onderwijs verhoogt met een half procent van het bruto binnenlands product. Aangezein dat voor Nederland neerkomt op bijna vier miljard gulden, zal dit cijfer waarschijnlijk weer te concreet zijn om erdoor te komen.

Kansrijker is Van Velzens voorstel om de btw te verlagen op arbeidsintensieve diensten, zoals schoen- en fietsreparatie en schoonmaakwerk. In Nederland zouden die diensten van het hoge naar het lage tarief kunnen verhuizen. Melkert diende als Kamerlid in 1993 een motie van die strekking in en zegt nu dat “de komende top geen succes zal zijn wanneer dit punt niet wordt binnengehaald”. De bewindsman heeft een goede reden om daarvoor te pleiten, want het maakt zijn gesubsidieerd schoonmaakwerk, de witte werksters, nòg goedkoper.

Van Velzen en ook Juncker pleitten er gisteren voor de werkgelegenheidstop aan te grijpen om de oorlog te verklaren aan “het schrikbarend aantal overuren” dat werknemers in de Europese Unie structureel maken en waarmee ze de kans op het vinden van werk voor een werkloze verkleinen. Maar in zo'n offensief ziet Melkert niets. In tegenstelling tot Duitsland en Groot-Brittanië is 'overwerk' voor Nederland geen grote zaak. Volgens Van Velzen werken negen miljoen Europeanen structureel langer dan 48 uur per week. De Europarlementariër heeft bedacht dat dit overwerk niet in geld omgezet moet worden, maar in een sabbatical leave, of in zogenoemde dienstenbonnen waarmee de overwerker een klusjes- of tuinman in huis kan halen, of een witte werkster.