Ogenlust

Bij de aanblik van sommige mooie dingen - schilderijen, beelden - heb je het gevoel dat er iets met je ogen gebeurt. Het is alsof zij een zelfstandig soort vreugde beleven, buiten je denkende ik om. Vorige maand werd ik erdoor overweldigd temidden van de schilderijen van Nederlands beste levende schilder, Matthijs Röling.

Hij had een overzichtstentoonstelling in Eelde waar u, als u haar gemist hebt, niet meer heen kunt omdat zij is afgelopen. Het spijt mij.

Maar nog even over dat kijkgevoel: het is alsof je ogen meteen heimwee krijgen als je het hoofd afwendt, omdat zij zich juist hier, bij dit beeld, prettig voelen. Zo prettig als in een warm bed, of in een kamer die precies is ingericht om hun plezier te doen.

Een bevriende kunsthistoricus gebruikte in een ander verband het woord ogenlust. Dat geeft de gewaarwording goed weer. Ogenlust, zo vertelde hij, werd in vroeger eeuwen beschouwd als iets gevaarlijks. De dominee en de pastoor vreesden dat het volk, eenmaal gegrepen door ogenlust, wel eens helemaal door zou kunnen slaan in vrolijke bandeloosheid, met catastrofale gevolgen.

Want zomaar gratis een prettig gevoel, lust voor jan en alleman, dat moest wel zondig zijn. Een religieuze voorstelling was nog tot daar aan toe, althans volgens de pastoor; de dominee was het daarmee niet eens, en hun meningsverschil verdeelde de ganse christenheid. Wat weer bewijst hoe belangrijk de kwestie toen was. Kijken naar mooie plaatjes was vroeger linke soep, zelfs als ze heel zedig waren.

Die ouderwetse, moralistische kijk op ogenlust is helemaal niet zo passé als je zou denken. Het is misschien wel eens minder geweest, maar de afgelopen eeuw zat vol met kunst die niet in de eerste plaats mooi mocht zijn om naar te kijken, doch hogere bedoelingen diende te hebben. Als moderne dominees veroordeelden de kunstcritici eensgezind de ogenlust. Of het nu ging om de incorporering van tijd en ruimte, om de reductie tot de essentiële vorm of iets anders, theoretisch geploeter ging boven genieten. Zelfs de arme kunstenaars raakten daarvan overtugd.

Maar de ogenlust kruipt waar zij niet gaan kan. Er zijn altijd kunstenaars blijven bestaan die wèl wisten dat het in de beeldende kunst gaat om beelden, niet denkbeelden. Die dingen maakten waar je ogen naar terugverlangden als je het hoofd afwendde.

Daarnaast echter heeft zich, voor het gerief van de moderne ogen, een overstelpende beeldcultuur ontwikkeld in reclame, film en tijdschriften. Heel anders dan een paar eeuwen geleden zijn plaatjes nu alomtegenwoordig: handig ontworpen, knap gefotografeerd, dramatisch. Dure reclame-, mode- en kunstfoto's en operadecors zijn niet meer van elkaar te onderscheiden. Stylisten, de beroeps-mooieplaatjesmakers van nu, leveren op bestelling pathos of platitudes. Kijk naar mij, roepen hun producten in koor, hier is het fijn.

Dat heeft grote gevolgen. Bad money drives out good money: de wet van Gresham, een onwrikbare economische wet naar het schijnt, gaat ook op voor beelden. Omdat plaatjes de markt overstromen, delft kunst die visueel gericht is, die ogenlust biedt, nog gemakkelijker het onderspit dan zij toch al deed. Want nu wordt geroepen: zie je wel, mooie plaatjes, die krijg je tegenwoordig nagesmeten. Die kan iedereen maken. Nee, wat telt is de interactie, de fragmentatie, de contradictie, de obsessie.

Maar het is helemaal niet waar, dat iedereen die kan maken. Er bestaan juist enorme verschillen tussen goede en slechte beelden. Tussen ijdele nep, en kunst die echt iets is. Wat niet wil zeggen dat het eenvoudig te definiëren is waar het verschil precies zit - zelfs al springt het voor je gevoel zo in het oog. Wat maakt de werken van honderd gelikte-plaatjesmakers zo vreselijk, en de schilderijen van Röling (om die ene nog eens te noemen) zo bijzonder? Als zij niet zo moralistisch dacht over ogenlust, dan kon de moderne geestelijkheid het dáár eens wat vaker over hebben.