Kroniek van een aangekondigde dood

Ernesto Guevara wordt in 1928 geboren als zoon van een gegoede Argentijnse familie. Tot zijn negende jaar kan hij niet naar school wegens chronische astma. Op school ontpopt Ernesto zich als een aanvoerder. Zijn cijfers zijn matig. In de dagboeken die hij bijhoudt, ontwikkelt hij gedachten over liefde, dood, onsterfelijkheid.

Na de middelbare school studeert hij medicijnen in Buenos Aires. Daar maakte hij plannen om met een vriend op de motor door Latijns Amerika te reizen. Het dagboek dat Guevara hiervan bijhoudt, is een mengeling van beatnik-romantiek en woede over het onrecht dat hij aantreft.

De bekering tot het communisme volgt in 1953. Guevara is in Guatemala als daar een door de VS gesteunde coup plaatsheeft. Daar krijgt hij een bekeringsdroom. “De toekomst behoort het volk toe”, fluistert een imaginaire revolutionair hem toe. Guevara schijft over zijn eigen dood. De fantasiekameraad vertelt dat hij zal sterven “met gebalde vuisten en geklemde kaken, in een perfecte demonstratie van haat en strijd.”

Niet veel later heeft de ontmoeting tussen Guevara en Fidel Castro plaats. Ze komen elkaar tegen in Mexico, waar Castro de guerrillastrijd tegen dictator Batista voorbereidt. In 1956 steekt hij samen met Castro en tachtig strijders in het jacht Granma de zee over om de revolutie op Cuba te beginnen. Twee jaar vecht hij in de Sierra Madre, totdat hij als commandante Che in 1959 Havana binnenmarcheert.

Na de overwinning krijgt Che het bevel over de revolutionaire zuiveringen. Na korte processen laat hij 's nachts honderden mannen en vrouwen executeren. Onder de slachtoffers zijn tientallen homoseksuelen. Che wordt daarna minister van Economie en voorzitter van de Centrale Bank. Hij ontwikkelt enige onpraktische ideeën. Geld moet worden afgeschaft, evenals vaste werktijden. De 'Nieuwe Mens' legt immers vanzelf zijn individualisme af.

Na zes jaar bureaucratisch leiderschap houdt Che het voor gezien. Binnenskamers komt hij in botsing met Castro over de toenemende invloed van wat Che het 'Sovjet-imperialisme' noemde. In 1965 vertrekt hij naar Congo om te helpen in de guerrillastrijd. Daar komt hij in botsing met de huidige Congolese leider Kabila. Che huivert van het Afrikaanse gebrek aan revolutionaire zuiverheid.

Een jaar later vertrekt Che aan het hoofd van een 30 man tellend groepje guerrillastrijders naar Bolivia om daar een Zuid-Amerikaanse revolutie te ontketenen. De missie wordt een ramp. De Boliviaanse boeren steunen hem niet en de Amerikaanse CIA zit hem op de hielen.

Na elf maanden - op 8 oktober 1967 - wordt hij door het Boliviaanse leger in een hinderlaag gelokt. In een schooltje wordt hij ondervraagd, onder anderen door de ex-CIA agent Felix Rodriguez. Een Boliviaanse officier executeert hem de volgende morgen op bevel van zijn hoofdkwartier. Zijn resten worden op een geheime plaats begraven, zijn handen worden afgehakt en ter identificatie naar Argentinië gestuurd.

In 1995 beginnen opgravingen die dit jaar tot identificatie van zijn lichaam leiden. In juli worden de resten van Che overgevlogen naar zijn geadopteerde vaderland Cuba.