Genesis 42-46; Gelegenheid om te wenen

Om het hoofd te bieden aan de hongersnood die hen, evenals de rest van de wereld, getroffen heeft, reizen de broers van Jozef naar Egypte om er koren te kopen. Dat het hun eigen broer is die daar de scepter zwaait, kunnen zij onmogelijk weten. In zijn kostbare kleren herkennen zij, na tientallen jaren, niet de man die zij als slaaf verkocht hebben.

Uit deze voorbeeldig omgekeerde situatie is het dat Jozef de boter gaat braden. Hij, die hen Hebreeuws hoort spreken, bedient zich van een tolk. Wat er nu gaat gebeuren, is zowel de eenvoud zelve als hoogst vernuftig. Heel geleidelijk en met groot psychologisch raffinement zal de spanning worden opgevoerd. De lezer is er getuige van dat Jozef, uiterst koelbloedig naar het lijkt, een soort van morele ruimte creëert met een akoestiek zo voortreffelijk dat daarin alle scrupules van het verleden, danwel het totale gebrek daaraan, zeer goed hoorbaar beginnen op te spelen. Jozef zou met recht kunnen gelden als het meest sympathieke personage uit het eerste bijbelboek.

Nu is daar misschien niet zo heel veel voor nodig. Alleen Esau die bij de terugkeer van Jakob vergevensgezind blijkt zou een goede tweede kunnen zijn. Maar Jozefs sympathiekheid wordt ontzaglijk veel breder uitgemeten en het is dankzij hem dat Genesis een happy end van grote allure verkrijgt. Daar komt bij dat zijn sympathieke karakter zeker niet direct al gegeven is, maar als het ware onder de ogen van de lezer verworven wordt. Dat Jozef, aanvankelijk toch heus een onuitstaanbaar en zelfingebeeld jongmens, de sympathie van de lezer gaandeweg wint, komt geheel voor rekening van de subtiliteit waarmee verhaald wordt van zijn reacties. Reacties, wel te verstaan, op de door Jozef zelf met de grootst mogelijke precisie geregisseerde, om niet te zeggen in scène gezette gebeurtenissen. Jozef is de dramaturg van zijn eigen allengs minder bedwongen emotie. Er zit een opgaande en bovendien strikt logische lijn in dit spel van de ogenschijnlijke vergissingen en verdubbelingen, van verdwijningen, wederverschijningen en gelukkige herenigingen.

Esau is de eerste man in de bijbel die weent, bij gelegenheid van het door hem ondervonden erfrechtelijke onrecht. Maar Jozef is degene van wie - ik heb het geteld - maar liefst in zevenvoud vermeld staat dat hij weent. Hij is wat dat betreft eenvoudigweg hors concours. En het mooie is dat hij niet of nauwelijks om zichzelf weent, maar volschiet door telkens weer een ander aspect van de helder zichtbaar geworden morele en affectieve situatie. Waarbij het de situatie zelf is die hem heel lang nu juist verbiedt om zijn tranen de vrije loop te laten. Want zolang Jozefs eigen identiteit, in de ogen van zijn broers, nog niet tot stand is gekomen, is ook zijn verdriet om zo te zeggen nog illegitiem en hoe dan ook misplaatst. Van begin af aan manoeuvreert Jozef de broers in een hoogst onbehaaglijke en dubbelzinnige positie. Die ermee zal eindigen dat zij zich gedwongen zullen zien om de andere lievelingszoon, Benjamin, evenals Jozef verwekt bij Jakobs voorkeursvrouw Rachel, naar Egypte te halen. En uitgerekend deze Benjamin zal vervolgens dankzij een machinatie van Jozef beticht worden van diefstal. Zo worden de broers, die niet allemaal even slecht zijn geweest, uit elkaar gespeeld maar ook naar elkaar toe. En zo dreigt, in hun ogen, andermaal een vader beroofd te worden van een zoon - ditmaal nadat Juda zich persoonlijk garant heeft gesteld bij de oude Jakob. Juda zal zich dan ook gedwongen zien tot een aangrijpend pleidooi waarin hij Jozef smeekt hem in plaats van Benjamin voor schuldig te houden. Psychodrama avant la lettre. En wat een prachtige scènes allemaal.

Het mooist van al is misschien niet eens de scène waarin Jozef zich bekendmaakt en zijn broers van schrik voor hem terugdeinzen. Het moment suprême van de nog altijd bedwongen emotie is wat mij betreft al eerder aangebroken, namelijk wanneer de negen broers terugkeren in het door Jozef afgedwongen gezelschap van Benjamin, die zij immers als was hij een soort van visum bij zich dienen te hebben. Simeon, en niet toevallig hij, heeft intussen vastgezeten. Jozef vraagt: 'Is het wel met uw ouden vader, over wien gij gesproken hebt? Leeft hij nog? En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onzen vader; hij leeft nog. Daarop knielden zij en bogen zich neer. Toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij zijn broeder Benjamin, den zoon zijner moeder, en zeide: Is dit uw jongste broeder, over wien gij tot mij gesproken hebt? En hij zeide: God zei u genadig, mijn zoon. Toen haastte Jozef zich weg, want zijn hart ging in ontroering uit naar zijn broeder, en hij zocht gelegenheid om te wenen; hij trad een kamer binnen en weende daar. Daarna wies hij zijn gelaat en trad naar buiten, bedwong zichzelf en zeide: Dient het maal op.'

De 'wraak' van Jozef wordt, symbolisch en wel, met de grootst mogelijke nauwkeurigheid uitgeserveerd. 'Het gerecht voor Benjamin was vijf maal zo groot als het gerecht van ieder hunner.' Jozef betoont zich ook hierin een rekenmeester. Want van de twaalf broers zijn er slechts twee, Jozef en Benjamin, zonen van Rachel. De overige tien zijn zoons van Lea of van een van bijvrouwen Bilha en Zilpa. Die hiërarchie wordt de broers ingepeperd. Twee zoons van Jakob en Rachel blijken op te wegen tegen de tien overigen.