Europa moet in M-O wat goedmaken

Heeft Europa bij het vredesproces in het Midden-Oosten een rol te vervullen? Als het de Verenigde Staten al zo moeilijk valt de impasse in de vredesbesprekingen te doorbreken, is het dan niet zinloos of zelfs riskant om te denken aan een onafhankelijk optreden van Europa? Kan een economische reus die slechts een burgerlijke mogendheid is zonder een integraal buitenlands beleid wel méér zijn dan een stille bankier?

De vraag is het overwegen waard, want wat er nu in het Midden-Oosten op het spel staat, is meer dan het succes van het Oslo-proces - het failliet daarvan is wellicht al onafwendbaar. Ook het idee dat er überhaupt een vreedzame oplossing voor het conflict mogelijk is, loopt nu gevaar. Er bestaat een frappante tegenstelling tussen enerzijds het spoedeisende karakter van de situatie, gekenmerkt door een verlies over en weer van vertrouwen en zelfvertrouwen en het feit dat zowel de letter als de geest van de Oslo-akkoorden voortdurend wordt geschonden, en anderzijds de extreme terughoudendheid van het stapje-voor-stapje-beleid dat de VS op dit moment voorstaan. Vanuit Europa gezien kan Washingtons strategie enigszins gechargeerd als volgt worden samengevat: de situatie is uitermate gevaarlijk en explosief, dus is het van belang zo min mogelijk te doen. Tegenover deze nogal passieve opstelling van de VS is Europese bemoeienis niet alleen gewettigd, maar zelfs noodzakelijk.

Die Europese bemoeienis zou complementair moeten zijn en mag zeker niet conflicteren met, of de plaats innemen van de onmisbare, unieke Amerikaanse aanwezigheid. Het is niet de bedoeling de geschiedenis te herschrijven. We mogen niet terug naar de tijd, eind jaren zeventig en begin jaren tachtig, toen Europa onder sterke druk van Frankrijk een alternatieve vredesstrategie nastreefde die in juni 1980 culmineerde in de verklaring van Venetië.

Destijds was het Frankrijks strategie de Europeanen te pressen tot een collectieve stellingname, die de Amerikanen ertoe moest brengen op hun beurt de Israeliërs onder druk te zetten om het centrale belang van de Palestijnse zaak en de situatie van de Palestijnen te erkennen.

Hoewel hun strategische analyse op de lange termijn correct was, hanteerden de Fransen, en met hen de Europeanen, een verkeerde tactiek. Ze zagen onvoldoende de politieke en emotionele waarde van de Camp David-akkoorden tussen Egypte en Israel, die de kern vormden van het gehele Amerikaanse Midden-Oostenbeleid. Het gevolg was dat Europa ongeveer de functie kreeg toebedeeld van de rei in een Griekse tragedie: het becommentariëren van de handeling in plaats van eraan deel te nemen.

Europa heeft niet alleen van zijn vroegere fouten geleerd, maar is nu in de gelegenheid zijn stem te laten horen tegen een totaal veranderd geopolitiek decor. Om te beginnen mag Europa het niet langer als zijn taak zien de al te pro-Israelische houding van de VS te compenseren met een meer pro-Arabisch beleid. Deze houding heeft in het verleden de beschuldiging uitgelokt dat Europa 'boog voor olie', als het al niet om wapenverkoop ging.

Tegenwoordig streeft Europa simpelweg en resoluut naar vrede. Juist omdat het niet de belangrijkste geopolitieke factor van de wereld is en niet voortdurend verwikkeld is in de aanloop tot een campagne voor presidentsverkiezingen, kan het gemakkelijker dan de VS de dingen bij hun naam noemen. Ook kan Europa een geloofwaardige complementaire rol spelen, omdat het nu, eind jaren negentig, veel meer invloed in het Midden-Oosten heeft dan twintig jaar geleden.

Natuurlijk is die invloed vooral economisch: de Europese Unie is de belangrijkste handelspartner in de regio. Meer dan tweederde van Israels buitenlandse handel is met de EU en voor de agrarische sector is dat cijfer nog hoger. Europa is ook de grootste verschaffer van ontwikkelingshulp aan de Palestijnen. De aanstaande uitbreiding van de Unie en invoering van de euro kan Europa's economische en financiële invloed in de regio alleen maar verder vergroten.

Europa's bijdrage aan het vredesproces mag zich echter niet beperken tot het economische vlak. Omdat het geografisch en historisch nauwer bij het Midden-Oosten is betrokken dan de VS, heeft het wellicht ook een beter begrip van de regio. Dit niet zozeer vanwege Europa's koloniale verleden (wat nauwelijks een pre is) als wel vanwege zijn eigen vroegere nationalistische en etnische dweperijen, die het grotendeels heeft geleerd te overstijgen, althans in het Westen.

Europa kan zijn begrip van zulke tragiek inbrengen, en zijn methode van verzoening met zichzelf, gesymboliseerd door het 'Frans-Duitse huwelijk'. We mogen er ook van uitgaan dat in Europa het belang en de moeilijkheden van een dialoog met de islamitische wereld wezenlijk beter worden begrepen dan in de VS. In drie van de belangrijkste Europese landen, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitland, is de islam getalsmatig de tweede religie.

Moreel zijn de Europeanen in tweeërlei opzicht verantwoordelijk voor de problemen in het Midden-Oosten: door het kolonialisme en door het antisemitisme. Het eerste heeft geleid tot Arabisch nationalisme, terwijl het tweede is geculmineerd in de holocaust en daarmee de weg heeft geëffend voor de stichting van de staat Israël. Om die reden zou Europa ook ten minste voor een deel van de oplossing moeten zorgen.

Juist omdat het moment nadert waarop een nieuwe geweldsgolf de hele regio dreigt te overspoelen, zou iedere bijdrage welkom moeten zijn. Toen de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine, het beleid van Netanyahu's regering openlijk veroordeelde als 'catastrofaal', dat wil zeggen als potentiële oorzaak van een catastrofe, terwijl Madeleine Albright net bezig was aan haar eerste, moeizame reis naar het Midden-Oosten, heeft hij, zij het ondiplomatiek, verwoord wat ten minste de helft van de Israeliërs hardop zeggen en wat waarschijnlijk zeker zo veel joden in de diaspora in stilte denken. Door zijn openhartige uitspraak steunde Védrine openlijk zijn Amerikaanse ambtsgenoot, die zowel voor als na haar reis met hem heeft overlegd.

De Amerikanen zouden de Europeanen, de voornaamste bankiers van de regio, niet langer als een geheel passieve partij moeten zien. Ook moeten zowel Amerikanen als Europeanen in al zijn consequenties het feit onder ogen zien dat alleen de partijen ter plaatse zelf, of het nu gaat om Israeliërs, Palestijnen of Syriërs, vrede kunnen sluiten.

De situatie is té explosief om Europa's en Amerika's grotendeels achterhaalde verschillen van inzicht over het Midden-Oosten te laten voortduren. Het is tijd voor een nieuw evenwicht tussen Europa en de VS - een evenwicht van bescheidenheid en engagement.