Triphop-grondlegger Portishead sampelt op de tweede cd zichzelf; 'Onze muziek is retro-futuristisch'

De Britse groep Portishead was met de debuut-cd 'Dummy' een van de pioniers van de triphop. Maar de groep heeft een hekel aan de term. “Het doet onze muziek geen recht”, zegt Geoff Barrow van Portishead. Onlangs verscheen de tweede cd van de groep.

Portishead: Portishead. GO! Beat 539

ROTTERDAM, 7 OKT. De foto bij dit artikel is niet van de geïnterviewde. Zangeres Beth Gibbons van de Engelse popgroep Portishead doet wel fotosessies, maar geen interviews. En Geoff Barrow, die samen met Adrian Utley en technicus Dave McDonald de muziek creëert die Gibbons' zang begeleidt, doet wel interviews maar wil niet op de foto.

Portishead is in veel opzichten een merkwaardige groep. Hun debuutalbum Dummy (1994) was een onverwachts groot succes en bleek van grote invloed. Maar triomfantelijke tournees waarmee veel geld te verdienen was, deed Portishead niet: na incidentele optredens, zoals in het Amsterdamse Paradiso in '95, trok ze zich terug om het volgende album te maken, dat onlangs verscheen.

De muziek van Portishead klinkt nieuw en oud tegelijk. Een groot deel van het geluid is geconstrueerd met samplers, die drums, gitaar en orgel vervormen tot vervreemdende geluiden. Deze geluiden vormen samen met de ontspannen, trage dansritmes de kenmerken van een stijl die veel navolging kreeg: triphop. Een term waar Geoff Barrow een hekel aan heeft: “Het doet onze muziek geen recht. Het beschrijft een trend, een mode die je door iets nieuws vervangt zodra je er genoeg van hebt, en dat is onze muziek voor ons niet - wij gaan niet volgende week ineens een houseplaat maken.”

Met jaren-negentig-technieken roept Portishead een sfeer op die aan de jaren vijftig en zestig doet denken: breekbare, trieste zang als die van Billie Holiday aan het eind van haar carrière, melancholieke jazztrompetten, de donkere kant van de zwoele soul die door bijvoorbeeld Isaac Hayes gemaakt werd, de gedesillusioneerde, in sigarettenrook en bourbondampen gehulde zwart-wit-romantiek van de film noir.

“Retro-futuristisch vind ik een goede omschrijving van wat wij doen”, zegt Geoff Barrow. “We zijn beïnvloed door oude muziek, maar gebruiken de instrumenten van deze tijd: computers en samplers, naast oude Hammond-orgels en een aftands drumstel.”

De nieuwe cd, simpelweg Portishead genoemd, heeft dezelfde sfeer. Zangeres Beth Gibbons klinkt nog even dieptriest: wanhopig jammerend of ingetogen zingend haar twijfels verwoordend, zoals in het intrigerende Over: 'I can't hold this day anymore / Understand me anymore / To tread this fantasy / openly / What have I done? / Oh this uncertainty is taking me over'.

In het openingsnummer 'Cowboys' klinkt Gibbons bijtend sarcastisch. “Dat gaat over de Tory-regering”, weet Barrow. “Meestal weet ik evenmin als andere luisteraars waar de songs over gaan. Beth schrijft de teksten en melodieën thuis, wij sturen haar meestal de muziek, of we krijgen een bandje van haar waar we een begeleiding bij maken.”

Ook wat de muziek betreft verschilt het album niet veel van het vorige. Deze cd klinkt alleen iets grimmiger en uitbundiger, met heldere, krokante beats, tetterende blazers en norse gitaren. Er zitten veel frustraties in de plaat, vertelt Barrow. “We waren gefrustreerd over muziek, de deprimerende dingen die je op de radio hoort, en ook over mijn eigen muziek had ik sterke twijfels. Ik wist even niet meer waarom ik muziek maakte.”

Om een zo sterk mogelijke plaat te maken, legde de groep zichzelf strenge beperkingen op. “We stelden bijvoorbeeld de regel in dat we niet dezelfde geluiden mochten gebruiken als op Dummy. Dat was lastig. Dan zaten we in de studio en zei iemand: laten we een stukje spelen op de Rhodes [een keyboard] - maar dat kon niet, want dat zat al in 'Roads', op het eerste album. Een bepaalde gitaarpartij kon niet omdat hij te veel leek op de gitaar in 'Mysterons'. We konden nauwelijks ergens aan beginnen. Uiteindelijk waren we al veertien maanden bezig en had iedereen flink de pest in, toen Adrian zei: laten we gewoon eens één track afmaken. Toen we dat hadden gedaan, kwam de rest vanzelf. Ik denk dat die ellende onvermijdelijk was: je moet soms door een persoonlijke hel om iets waardevols te maken.”

Een andere regel was dat Portishead deze keer alleen eigen muziek zou gebruiken - geen samples van platen van anderen. Om platen te kunnen samplen, moest de groep dus de eigen muziek op plaat laten persen. Een bewerkelijke manier van werken: de muzikanten namen drum-, gitaar- en orgelpartijen op, namen daar een paar maten van die met diverse geluidseffecten werden bewerkt, lieten het resultaat op een vinylplaat persen en gingen vervolgens die plaat samplen.

“Het klinkt belachelijk”, geeft Barrow toe, “maar het is echt de moeite waard.” Een techniek die hij uit de hiphop overnam is scratchen, het snel heen en weer bewegen van een plaat terwijl de naald erop ligt. “Dat verandert het geluid van de plaat. Hoe meer je een plaat scratcht waar drums op staan, hoe meer het geluid van die drums verandert - het wordt iets unieks dat niet op een andere manier te maken is. Soms wil ik een plaat gebruiken die net geperst uit de fabriek komt, dan sta ik urenlang te scratchen om het goede geluid te krijgen. Twee platen tegen elkaar wrijven, of over het tapijt, werkt ook goed.”

Dit verklaart een van de opvallendste eigenschappen van Portishead-albums: alhoewel ze op cd staan, kraken ze als oude langspeelplaten. Dat kraken is voor Barrow een essentieel onderdeel van de muziek. “De muziek waar ik in mijn jeugd het meest naar luisterde, stond op oude tweedehands platen. Het kraken hoorde erbij, het maakte deel uit van het geluid waar ik van hield. Daarom wilde ik het ook in onze muziek horen. Het is gewoon een geluidseffect als alle andere.”

Niet iedereen kan dat waarderen. Barrow: “Sommige mensen brachten de cd terug naar de winkel. Het hele idee van de compact disc was toch juist dat je dat gekraak niet meer hoorde? Ze dachten dat het gewoon een kopie van een LP was, dat ze waren bedonderd.”