Tochtje

“Beer, stap in de auto, dan breng ik je naar het Berenbos in Rhenen en laad je daar uit, dan heb je je vrijheid“, zei mijn vrouw. Ze maakte een grapje, want we hebben helemaal geen auto, dus we gingen met het openbaar vervoer. “Ik heb gelezen dat er in dat bos ook zeven wolven leven“, sputterde ik tegen. “Die doen echte beren niets.“ Ik probeerde nog wat anders: “Bovendien is uit onderzoek gebleken dat maar liefst de helft van de Nederlandse vrouwen hun man 'beer' noemt. Stel je voor dat ze allemaal op Dierendag het idee zouden krijgen om hem naar het Berenbos in Rhenen te brengen, dan wordt het daar wel vol.“ “Dat is juist gezellig“, zei ze.

Ze raakte in een nog beter humeur toen een stratenmaker bewonderend naar haar floot. Aan zijn pak zag ik dat het geen echte stratenmaker was, maar een Melkertbaner die alleen de bevoegdheid had om te fluiten en niet om de straat open te breken, maar dat maakte niet uit.

In de hal van de metro zagen we een vrouw een paar keer hoog in de lucht springen. Dat was iets nieuws, het was een Adelmundbaner die oefende voor de kwaliteitssprong voor het openbaar vervoer die beloofd wordt in het verkiezingsprogramma van de PvdA. De Adelmundbaner sprong sierlijk over de wethouder Ten Have-hekjes heen, wat overigens niet betekende dat zij een zwartrijder was, want die hekjes kunnen niet dicht en houden een zwartrijder niet tegen, maar zijn er alleen om een geestelijke disciplinering af te dwingen. Gedisciplineerd stapten we naar het perron richting Amstelstation.

Zouden we de trein naar Utrecht die we op het oog hadden wel halen? Ik begon aardigheid in het uitstapje te krijgen en wilde niet dat er iets mis zou gaan. “Geen zorgen, in Nederland wordt een trein die twee minuten te laat is geacht op tijd te zijn, dus dat geldt voor ons ook“, zei mijn vrouw.

In het station zagen we bij alle stationsklokken mannen en vrouwen op ladders staan om de wijzers te verzetten. “Klim jij ook maar vast even omhoog, dat is een goede oefening“, zei mijn vrouw. Op de ladder maakte ik een praatje met een van de wijzerverzetters. Het bleek een werkloze Duitse academicus te zijn die hier naar toegehaald was om leraar Duits te worden, omdat de Nederlanders dat niet meer willen. “We zouden eigenlijk Ritzenbaners worden“, zei hij. “Maar toen bleek dat niet alleen jullie leraren geen Duits willen geven, maar dat jullie kinderen ook geen Duits willen leren, zodat er eigenlijk helemaal geen probleem is. Nu zijn we Jorritsmabaners. We moeten de klokken steeds zo zetten dat de treinen op tijd aankomen. Vroeger was het omgekeerd, toen pasten de treinen zich aan bij de klokken, maar dat is ouderwets management. Het is grappig. Bij ons in Duitsland heet een trein vertraagd als hij een minuut te laat is. In Engeland geldt een trein pas als vertraagd wanneer hij minstens tien minuten te laat is. Bij jullie in Nederland was het vroeger twee minuten, maar nu met de Jorritsmabaners zijn hier voortaan alle treinen altijd exact op tijd. Dat is jullie poldermodel waar de hele wereld jaloers op is.“

Meer tijd had hij niet voor me, want hij had veel te doen. We stapten in de trein die inderdaad stipt op tijd was. Wat zaten al die reizigers elkaar raar te beloeren! Eerst vond ik het eng, maar na een tijdje bleek het heel boeiend om af te luisteren wat al die mensen binnensmonds over elkaar prevelden. “Die twee gaan zeker naar het Berenbos, net als mijn dochter en haar man“, mompelde een oudere dame. “En die flinke man daar lust waarschijnlijk wel een gevulde koek van me, net als zijn hond, of is het een varkentje, nou ja dat geeft niet, het is tenslotte Dierendag.“

In Utrecht brachten we eerst de oude dame met de sneltram naar het ziekenhuis van Nieuwegein. Op de afdeling chirurgie was het een vrolijke drukte. De chirurgen waren kleurig gekleed en rinkelden met bellen. “Wij zijn Borstbaners“, zei een van hen in gebroken Nederlands. “Vroeger waren we stierenvechters, maar nu ook Spanje modern wil worden zijn er steeds meer van ons werkloos geworden. Omdat jullie medische specialisten altijd dwars liggen hebben ze ons hier in drie maanden omgeschoold tot chirurg. We mochten onze eigen messen meenemen en het bevalt uitstekend. Alleen kunnen de mensen hier er nog steeds niet aan wennen dat we na een operatie altijd de oren afsnijden. Maar wat de Nederlander slachtafval noemt, is voor ons een tractatie!“

Er kwam een jongeman op een zware motor de operatiezaal binnenrijden, wat de Spanjaarden in luid gejuich deed uitbarsten. Ze bleken hun oude stiel nog niet verleerd en we waren blij dat we de dame uit de trein in bekwame handen achterlieten.

Door al die Jorritsmaklokken waren we de tijd een beetje uit het oog verloren, maar het was duidelijk dat we nu flink moesten opschieten. “Laten we een taxi nemen“, zei mijn vrouw, die een beetje ongeduldig leek te worden.

Op de weg naar Rhenen was het erg druk. Het was duidelijk dat veel vrouwen op deze Dierendag hetzelfde idee hadden gekregen. Bij het Berenbos werden we vriendelijk verwelkomd door een Van Aartsenbaner die vroeger varkensboer was geweest maar in zijn nieuwe functie veel meer plezier had, vooral op Dierendag. “Nou lieve Beer, het ga je goed“, zei mijn vrouw, en er gleed een traan over haar gezicht.

Het bos was inderdaad stampvol. De mannen gaven elkaar een berenomhelzing en ze zongen, lachten en huilden samen. Het was erg gezellig, al zeiden veel mannen dat ze hun vrouw wel misten, nu ze onder elkaar waren. Iedereen stelde zich kwetsbaar op en toonde openlijk zijn gevoelens. Er werd gepraat over de huishoudelijke taken die ze verzuimd hadden, de kinderen die ze verwaarloosd hadden en zelfs over zondige gedachten die ze gekoesterd hadden en waarvoor ze vergiffenis vroegen.

Zo was het al laat geworden en door al dat gepraat was er nog steeds niets te eten. Ik ging onder een boom liggen om te slapen. Wat een bijzondere dag was het geweest, deze Dierendag!