Sociale cohesie is doel en middel tegelijk

De leus 'werk, werk, werk' zal de komende kabinetsperiode verbreed moeten worden tot 'werk, scholing, inkomen'. Dit stelt de Partij van de Arbeid, de grootste regeringspartij, in het gisteren gepresenteerde ontwerp voor een verkiezingsprogramma. Hieronder een groot deel van het inleidende hoofdstuk.

De economische verwachtingen voor de nabije toekomst zijn gunstig. Niettemin zijn bij het maken van dit verkiezingsprogramma drie economische scenario's gehanteerd, uitgaande van respectievelijk gunstige, behoedzame en ongunstige economische groei. We willen ons niet rijk rekenen. Oplopende begrotingstekorten hebben nooit duurzaam werk gecreëerd, integendeel. Het fundament van het beleid blijft als het aan de PvdA ligt gericht op meer werk, een lager tekort en een lagere lastendruk en meer ruimte voor overheidsinvesteringen, ook in minder gunstige tijden.

In alle varianten blijft werkgelegenheid de hoogste prioriteit houden, omdat dat het enige duurzame draagvlak is voor houdbare sociale rechtvaardigheid. Hoe meer mensen aan het werk zijn, des te groter het draagvlak om te investeren in tal van voorzieningen. Het verstevigt de grondslag voor de oudedagsvoorziening van de toekomst en voor het dekken van risico's op werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Ook de sociale stabiliteit en maatschappelijke samenhang zijn ermee gediend als ieder die wil en kan werken een baan vindt en op rechtvaardige wijze beloond wordt, als AOW-pensioenen en uitkeringen gekoppeld worden aan de loonontwikkeling en als er ruimte is om er ook voor mensen met (te) geringe kansen op de arbeidsmarkt nog een schepje bovenop te doen. Armoedebestrijding heeft meer kans van slagen naarmate de werkgelegenheidsgroei een steviger basis biedt. Om al die redenen en om bovendien ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten en langdurig werklozen een reële kans op een baan te geven, blijft 'honderdduizend banen per jaar erbij' het streven.

Tegelijk dient de komende kabinetsperiode de leus 'werk, werk, werk' verbreed worden tot 'werk, scholing, inkomen' en kan extra ruimte gemaakt worden om te investeren in de kwaliteit van het bestaan. Of het nu gaat om de toekomst van de sociale zekerheid, het onderwijs, de gezondheidszorg of de ruimtelijke indeling van Nederland, om mensen kansen te geven in een moderniserende maatschappij zijn aanpassingen en vernieuwingen noodzakelijk.

Bovenaan het lijstje van noodzakelijke moderniseringen staat het doorbreken van de tegenstelling tussen economie en ecologie, tussen welvaartsgroei en milieu. Door de economische groei 'schoner en slimmer' te maken moet een duurzame economie in het vizier komen, die toekomstige generaties niet alleen een gezonde leefomgeving maar ook welvaart biedt.

Soms kan met eenvoudige oplossingen al heel veel worden bereikt. Vaker zijn ingrijpende innovaties noodzakelijk, of dienen zelfs hele sectoren te worden gestimuleerd (zoals het openbaar vervoer) of afgeremd. Dikwijls zal ook het gedrag van bedrijven en burgers moeten veranderen. Fundamentele veranderingen vragen een lange adem, terwijl toch op korte termijn resultaten moeten worden bereikt.

Vooruitgang kan alleen geboekt worden als er een proces van productieve samenwerking op gang komt tussen overheid en burgers, bedrijven en consumenten. De beslissende stappen voorwaarts zullen van milieugerichte innovaties in het bedrijfsleven moeten komen. Maar dat kan politiek gestimuleerd worden door wat in dit programma wordt genoemd 'tweede generatie convenanten', door duidelijke milieuplafonds en door vergroening van het belastingstelsel. De overheid zal richting moeten geven aan het proces zonder zelf op de stoel van de ondernemer te gaan zitten. In die zin moet op dit terrein een nieuw evenwicht worden gevonden tussen markt en overheid.

[...]Nederland moet zich niet alleen handhaven en verder ontwikkelen als 'mainport', maar ook als 'brainport'. Beide concepten sluiten elkaar niet uit, maar versterken elkaar in een beweeglijke diensteneconomie.

Een kennis-economie vraagt om hoge prioriteit voor investeringen in het onderwijs. Ook voor mensen zelf is een goede opleiding één van de belangrijkste voorwaarden om later als zelfstandige, sociale, ondernemende burger de kansen te grijpen die de samenleving biedt. De eerste aandacht moet uitgaan naar de jongste kinderen door het verbeteren van voorschoolse opvang en door stapsgewijze verkleining van de groepsgrootte. Voor elders geboren kinderen dient het inlopen van achterstanden en het leren van de Nederlandse taal voorop te staan. Voor de wat oudere leerlingen zal het meest geïnvesteerd moeten worden in verbetering van het beroepsonderwijs. Scholen krijgen meer ruimte voor eigen beleid, leerkrachten hebben recht op meer ondersteuning en waardering. Voor volwassenen zullen de mogelijkheden om je te ontwikkelen en voortdurend bij te blijven verruimd moeten worden.

Zoals in het onderwijs de leerling centraal staat, dienen we in de gezondheidszorg van de patiëntenbelangen uit te gaan om tot betere en doelmatiger zorg te komen. Wachtlijsten en wachttijden moeten worden teruggebracht. Er kunnen meer 'handen aan het bed' komen door dertigduizend banen te scheppen in verpleging en verzorging. De noodzakelijke verbeteringen vereisen behalve extra middelen ook een betere verantwoordelijkheidsverdeling en een nog grotere nadruk op preventie.

[...]Herverdeling en groei van werkgelegenheid dienen hand in hand te gaan. Alleen dan kunnen vrouwen uit - te kleine - deeltijdbanen naar volwaardig werk groeien, kunnen ook mensen met weinig opleiding het leven thuis combineren met een actieve en vruchtbare carrière buitenshuis, en is er een economisch draagvlak om keuzemogelijkheden te creëren en de noodzakelijke voorzieningen op het terrein van verlof te scheppen. De PvdA wil daarom in hoofdlijnen doorgaan met het werkgelegenheidsbeleid van het kabinet-Kok, met extra aandacht voor het scheppen van banen aan 'de onderkant'.

Dergelijke moderniseringen vormen een opdracht voor de politiek, zonder dat de overheid dergelijke problemen eenzijdig zou kunnen oplossen. De politiek moet de maatschappelijke dynamiek aanvoelen, volgen en er tegelijk richting aan geven. Daarin heeft zij een eigen verantwoordelijkheid, die niet te dragen valt zonder ook burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen verantwoordelijkheid te gunnen en zelfs bewust te geven. Het is niet 'ieder voor zich', maar 'verantwoordelijk voor elkaar'. Een verantwoordelijke en actieve overheid hoeft niet de ontkenning te vormen van levendige economische markten. Integendeel, politieke regelgeving en marktwerking kunnen heel goed hand in hand gaan. Wie alles aan de markt overlaat zal ontoelaatbare ongelijkheid zien ontstaan. Maar wie alles van hogerhand denkt te kunnen regelen komt evenzeer van een koude kermis thuis. De markt is geen panacee voor alle kwalen. De overheid evenmin. Elk heeft zijn eigen sterke en zwakke kanten. Marktwerking kan economische imperfecties oplossen en kosten besparen, maar sociale imperfecties doen ontstaan en daarmee tot nieuwe - maatschappelijke - kosten leiden. Overheidsoptreden kan sociale ongelijkheid terugdringen en voorkomen, maar maatschappelijke dynamiek afremmen. Marktwerking kan keuzevrijheid vergroten, maar solidaire financiering hinderen. Bij dergelijke dilemma's voert eenzijdige, ideologisch beargumenteerde, consequentheid al gauw 'zum Teufel'. In een weloverwogen balans kunnen de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt, terwijl de positieve elementen elkaar versterken. Overheid en markt vormen geen tegenstelling, hooguit tegenpolen. Maar geen magneet, of er zitten twee polen aan. Combinaties van 'overheid' en 'markt' kunnen zeer succesvol zijn, mits de politiek weet wat ze wil en richting weet te geven aan processen die essentiële belangen van burgers raken. Milieubeleid heeft des te meer kans van slagen als marktwerking de groene kant op werkt. Handhaving van 'hoogte en duur' in de sociale zekerheid valt beter te realiseren als ook elementen van marktwerking voor de nodige dynamiek in het systeem zorgen.

Wat acceptabel is, is aan historische verandering onderhevig. De post was een overheidstaak, maar is het niet meer. Op milieugebied is de overheid actiever dan ooit. In de sfeer van sociale verzekeringen is eigenlijk altijd al sprake geweest van combinaties van publieke en particuliere regelingen, ook al schuift dat nu wat meer richting markt. Welke regels de overheid stelt en welke taken ze zelf uitvoert ligt niet voor eens en altijd vast. Centralisering of decentralisering, privatisering, verstatelijking of allerlei nieuwe combinaties, - dat moet telkens opnieuw een weloverwogen en geen ideologisch bevooroordeelde beslissing zijn. Allerlei specifieke overwegingen kunnen daarbij een rol spelen, zoals dat de overheid altijd over voldoende vitale beleidskennis dient te blijven beschikken.

Overheid of markt is geen alles-of-niets discussie. Heel gedifferentieerde en genuanceerde combinaties zijn denkbaar om de optimale magneetwerking te krijgen. Aan de orde is het zoeken naar de beste cocktail van instrumenten. Want instrumenten zijn het: markt, overheid, contract of convenant. Wat telt is wat werkt, met het oog op wat je wilt bereiken. En dat doel is niet 'meer overheid; evenmin 'meer marktwerking'. De doelen betreffen zaken als: werk en inkomenszekerheid, natuurbehoud, onderwijs en ontplooiingskansen, gezondheid en goede huisvesting, alles in het kader van gelijke kansen, participatie en emancipatie.

[...]Precies om die balans tussen vrijheid en solidariteit te realiseren is democratisch bestuur essentieel. Dat geldt voor veiligheid op straat evengoed als voor milieuvriendelijk produceren en consumeren, voor de organisatie van de sociale zekerheid evengoed als voor het geven van kansen aan patiënten in de gezondheidszorg.

De sociaal-democratie heeft nu zo'n eeuw ervaring met de zoektocht naar een rechtvaardige en doelmatige balans tussen individuele vrijheid en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. We zullen hier niet voorwenden de sleutel in handen te hebben. Wel hebben we geleerd wat er fout kan gaan als de balans verstoord wordt. En dat de politiek zijn verantwoordelijkheid dient te nemen als die balans verstoord raakt. Niet om de burgers mores te leren. Maar om samen met de burgers, als hun vertegenwoordiger en tegelijk betrouwbare bondgenoot, naar telkens weer nieuwe, als rechtvaardig ervaren, evenwichten te zoeken.

Dat vraagt om een open, communicatieve, democratische bestuursstijl. Maar tegelijk om betrouwbaar en degelijk bestuur. Daar kan de nodige spanning tussen zitten. Maar alleen op die manier verdient de politiek het vertrouwen van de burger. Het kabinet-Kok heeft wat dat betreft op punten gescoord. 'Paars' was niet - zoals sommigen misschien verwacht hadden, anders dan anders. Het werd, zo werd al gauw duidelijk 'een gewoon kabinet', maar wel nuchter en open, algemeen gewaardeerd als voorbeeld van behoorlijk bestuur.

Je kan dat 'gewoon' noemen, maar zo gewoon was het welbeschouwd niet. In de jaren tachtig en begin negentig werd veel gesproken over het tanend vertrouwen in de politiek. Die geluiden zijn afgenomen. Dit kabinet heeft per saldo vertrouwen terug gewonnen. Dat proces moet worden voortgezet. Door verdere verbetering van de kwaliteit van het bestuur en door verbetering van de kwaliteit van de democratie. Daarom is de tijd meer dan rijp voor de gekozen burgemeester, in feite de normaalste zaak van de wereld. En hebben we geleerd dat we moeten uitkijken met bestuurlijke herindelingen, die in de ogen van mensen niet meer dan bestuurlijk zijn. Democratisch bestuur moet maatschappelijk draagvlak hebben.