Reclamemakers moeten voor toezicht zorgen

De laatste jaren zijn er nogal wat incidenten geweest, waarbij ophef ontstond over publieke uitingen die door groepen van de bevolking als aanstootgevend, onfatsoenlijk, kwetsend of beledigend werden ervaren. De ene keer ging het om een reclamecampagne, dan weer om een filmaffiche of een poster van een museumtentoonstelling. Regelmatig resulteerde alle opwinding in Kamervragen aan de minister van Justitie, met de strekking: wilt u hiertegen optreden en zo nee, waarom niet?.

De wijze waarop tijdens het Boekenbal van maart dit jaar het thema 'Mijn God' werd uitgebeeld, was voor de RPF-fractie in de Tweede Kamer aanleiding een poging te doen de incidenten te boven te komen. Aan minister Sorgdrager werd gevraagd een notitie over “de reikwijdte van reclame en de openbare ruimte” aan de Kamer te doen toekomen. Op 8 september stuurde de minister haar brief en morgen hoopt de Kamer daarover met haar te debatteren.

De minister schrijft als haar conclusie: “Ik kan mij voorstellen dat een deel van de bevolking zich stoort aan bepaalde reclame-uitingen. We hebben een stelsel van normen naar grondwettelijke eis vastgelegd in wetgeving, dat voldoende is om uitwassen in reclame-uitingen tegen te gaan.” Met andere woorden: ik zie het probleem, maar ben niet van plan er iets aan te doen. Zoals Kees Versteegh het onlangs in deze krant uitdrukte: “Paars is hier paars door eenvoudigweg niets te doen.”

Mede over deze politiek-ethische keuze zal het debat morgen gevoerd moeten worden. Discussies over reclame en andere publieke uitingen staan in het perspectief van de grondrechten. De vrijheid van meningsuiting - inclusief de persvrijheid en het verbod op preventieve censuur - is van grote betekenis voor de instandhouding van een vitale democratische rechtsstaat en verdient het derhalve hoog te worden gehouden. Tegelijkertijd geldt: geen grondrecht is absoluut. Beperkingen zijn denkbaar en in de praktijk ook aangebracht, bijvoorbeeld door bepalingen in de strafwet.

De godsdienstvrijheid is geen vrijbrief voor iedere gewenste gedraging of keuze; evenmin legitimeert de vrijheid van meningsuiting tot belediging of smaad. Als realisatie van het ene grondrecht te zeer op gespannen voet komt te staan met andere grondrechten en vrijheden, kan een nadere aanduiding van de grenzen waarbinnen grondrechten kunnen worden genoten worden aangebracht. Zo heeft de wetgever begin jaren negentig de keuze gemaakt om, in het verlengde van het maatschappelijke debat over gelijke behandeling, de antidiscriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht aan te scherpen. De legitimatie voor deze onmiskenbare inperking van onder andere de vrijheid van meningsuiting was het maatschappelijk draagvlak voor discriminatiebestrijding. De politieke wil fungeerde als motor om een nieuw evenwicht tussen botsende belangen in de wet vast te leggen.

Overheidsingrijpen is dus mogelijk, maar is het ook wenselijk? Welnu, daarover lopen de meningen nogal uiteen. Het is daarbij overigens opmerkelijk dat het in de samenleving in brede kring geaccepteerd en zelfs gewaardeerd wordt wanneer de overheid zich actief opstelt in de bestrijding van racistische uitingen, terwijl, als het gaat om het kwetsen van mensen en bevolkingsgroepen in hun religieuze overtuigingen of om 'de openbare zeden', al gauw wordt geroepen dat de overheid geen zedenmeester behoort te zijn. Het heeft iets inconsequents, iets willekeurigs. In het ene geval wordt de begrenzing van de grondwettelijke vrijheden beschouwd als een consequentie van de democratische rechtsstaat, ja zelfs als een bescherming van een essentieel element daarvan, en in het andere geval wordt ontkend dat de overheid daarin een specifieke taak zou hebben, omdat dit al gauw zou leiden tot - ongewenste - 'fatsoensrakkerij'.

Misschien wel het merkwaardigste is dat aan hen die zich door publieke uitingen gekwetst voelen, soms zelfs intolerantie wordt verweten. In een pluriforme samenleving, zo redeneert men dan, moet je tegen een stootje kunnen.

Het lijdt geen twijfel dat in een pluriforme - en 'plurinorme' - samenleving meningen over wat wel en wat niet door de beugel kan kunnen botsen. Het staat ook buiten kijf dat aan de vrijheid van meningsuiting bij een botsing van belangen een groot gewicht moet worden toegekend. In die zin moet iedereen inderdaad tegen een stootje kunnen. Maar er is een essentieel verschil tussen het genot van de vrijheid van meningsuiting en misbruik daarvan, tussen het oneens zijn met en zelfs bestrijden van elkaars ideeën en overtuigingen, en het respectloos doorbreken van taboes en pervertering van wat velen heilig is. Tolerantie werkt twee kanten op!

Grondrechten komen pas werkelijk tot hun recht wanneer de samenleving daar de ruimte voor biedt. Dat impliceert rekening houden met elkaar en respect betonen voor waarden die voor een ander betekenis hebben, ook (of beter: zeker) als hij tot een minderheid behoort.

De incidenten waarmee ik begon, vormen in hun samenhang een indicatie dat op het terrein van - wat ik maar noem - 'de kwaliteit van de publieke ruimte' (dat is dus aanmerkelijk breder dan alleen reclame) het evenwicht is zoekgeraakt. Het behoort tot de taak van de overheid om aan het herstel van het evenwicht, het zoeken van een nieuw evenwicht gestalte te geven.

Dat brengt ons bij de vraag naar de meest geschikte vorm van overheidshandelen. Een voor de hand liggend instrument is wetgeving, bijvoorbeeld de aanscherping van de (straf)wet. Beseft moet echter worden dat niet alles wat wenselijk is bij wet kan worden afgedwongen. Zeker bij een terrein als het onderhavige is het zaak om, voordat naar het ultimum remedium van de strafwet wordt gegrepen, de zelfregulering voldoende kans te geven.

Een goede vergelijking biedt het antirookbeleid. Teneinde de verkoop van tabaksprodukten terug te dringen is met de tabaksindustrie een convenant over onder meer beperking van reclame afgesloten. Pas wanneer deze zelfregulering onvoldoende resultaat zou hebben - en daar ziet het naar uit - zal de overheid tot nadere wetgeving (reclameverboden) overgaan.

Een dergelijke route staat mij ook voor ogen ten aanzien van het onderhavige onderwerp. Zelfregulering kan, meer dan wetgeving, bijdragen aan verinnerlijking van de norm en dus tot de bereidheid zich daaraan te houden.

Betekent dit een pleidooi voor afzijdigheid van overheidswege? Nee. Van de overheid mag worden gevraagd dat zij in overleg treedt met de betrokken branches en partijen met als inzet de normstelling op basis van zelfregulering verder te ontwikkelen. De inzet zou moeten zijn dat branches meer dan tot nu toe de bereidheid tonen zorgvuldig te opereren binnen het hierboven geschetste spanningsveld van de vrijheid van meningsuiting. Zij zouden er bijvoorbeeld toe kunnen overgaan om op vrijwillige basis publieke uitingen vooraf te laten toetsen, zoals dat voor bioscoopfilms al gebeurt door de Nederlandse Film Keuring (NFK).

Ook daar is overigens de weg naar 'gereguleerde zelfregulering' ingeslagen: de NFK zal als wettelijk orgaan worden opgeheven en opgaan in een 'landelijk steunpunt' dat zich gaat bezighouden met leeftijdsclassificatie van beeldschermproducten. Het lijkt mij een aantrekkelijke gedachte om naast de door mij beoogde 'branchecommissies' te komen tot een overkoepelende Commissie rond artikel 7 van de Grondwet, die dan zou kunnen samenvallen met dit landelijk steunpunt. Deze Commissie zou, net als de NFK, in haar samenstelling een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking moeten kennen om met gezag normstellend te kunnen opereren.

Het is van het grootste belang dat door alle betrokken partijen wordt bijgedragen aan een samenleving waarin we daadwerkelijk op een zorgvuldige manier met elkaar omgaan. De kwaliteit van de publieke ruimte bepalen we immers samen. Wanneer niet het verleggen van de grenzen, maar het betonen van respect voor elkaar daarbij centraal staat, zal de kwaliteit van de samenleving daarmee gediend zijn.