Economie Japan heeft veel weg van buurtvereniging

De Japanse economie zal onder internationale druk sterk veranderen. Maar niemand weet nog wat voor gevolgen dat zal hebben.

TOKIO, 7 OKT. “De meeste sectoren van de Japanse economie zijn als een buurtvereniging bezig met de jaarlijkse sportdag. Ook al spreekt men van concurrentie, het gaat er gemoedelijk en vriendschappelijk aan toe. Het behalen van resultaat was nooit erg moeilijk.”

De typering is afkomstig van de Japanse Harvard-econoom Iwao Nakatani. De hoogleraar aan de Hitotsubashi-universiteit en ex-medewerker van autoproducent Nissan tijdens een congres over de toekomst van Japan, georganiseerd door de krant Yomiuri.

Japanners houden van doemdenken en dus droeg deze bijeenkomst de titel: Een Heropleving van Japan: De Laatste Kans. Organisator Yomiuri is met een dagelijkse oplage van ruim 10 miljoen exemplaren de grootste onder de serieuze Japanse kranten. En als haar congres een graadmeter mag zijn voor de stemming in het land dan is duidelijk dat de economie van Japan onder internationale druk gaat veranderen, zij het dat niemand weet hoe het land er vervolgens uit zal zien.

Het typerende kenmerk dat Nakatani aanhaalde als voorbeeld van de 'gemoedelijke buurtverenigingseconomie' is het vooral in de bouwsector wijdverspreide fenomeen dango. Het woord zelf betekent niet meer dan 'consultatie', maar dit staat voor het wijdverspreide gebruik onder bedrijven om bij aanbesteding van overheidsopdrachten vooraf onderling af te spreken welk bedrijf, voor welk bedrag de opdracht binnen zal halen. Op die manier gaat geen enkel bedrijf ten onder en is men allemaal verzekerd van aangename winsten.

“In de bouwsector kan men dus niet spreken van concurrentie”, aldus Nakatani. Kenmerk van de buurtvereniging is namelijk een pikorde waarin iedereen zijn plaats kent en “orders gaan alleen naar bedrijven die deze piramidestructuur handhaven.” Dit gebruik zorgt ervoor dat de overheid 30 procent te veel betaalt voor de uitvoering van publieke werken, aldus Nakatani.

Het systeem van dango is de laatste tijd onder sterke kritiek komen te staan en zelfs de publieke omroep NHK waagde het onlangs dit illegale gebruik in een documentaire uitgebreid aan de kaak te stellen. In een schandaal rond dango werd parlementslid en oud-minister van Bouwzaken Kishiro Nakamura van de regerende Liberaal Democratische Partij (LDP) tot anderhalf jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld wegens het aannemen van steekpenningen van aannemer Kajima. Dit bouwbedrijf had Nakamura - toen nog minister - gevraagd een onderzoek naar dango-praktijken stop te zetten.

Pagina 15: De term 'concurrentie' wekt afgrijzen

Tijdens het Yomiuri-congres stelde LDP-politicus Taro Aso echter dat Japan nu eenmaal vanouds een dango-samenleving is. Gezien zijn achtergrond heeft Aso recht van spreken: hij is voormalig president van zijn eigen cementbedrijf, oud-voorzitter van de club van jonge ondernemers en bovendien kleinzoon van de conservatieve premier die Japan na de oorlog weer op de rails zette. Inmiddels is hij sinds achttien jaar parlementslid en tot vorige maand gedurende een jaar hoofd van het Economisch Planbureau in het kabinet van LDP-premier Ryutaro Hashimoto.

Aso wijst erop dat men in Japan eerst eens opnieuw moet gaan nadenken over de betekenis van het woord 'concurrentie'. De gevleugelde kreet van de regering Hashimoto bij de hervormingen is dat de Japanse markt “free, fair and global” moet worden. “Maar ik heb er nooit aan gedacht dat concurrentie 'fair' zou kunnen zijn”, zegt Aso.

Het Japanse woord voor 'concurrentie' bestaat uit de Chinese karakters 'strijden met woorden' en 'strijden met getrokken zwaard'. Het is een van de vele woorden die Japanners in de vorige eeuw nieuw hebben moeten construeren bij het vertalen van buitenlandse teksten, in dit geval een economisch leerboek. En naar verluidt riep het woord destijds al vooral afgrijzen op.

Omdat dit begrip niets met “fair” te maken heeft, hebben Japanse bedrijven volgens politicus Aso nooit het idee gehad iets verkeerd te doen als ze hun producten in het buitenland goedkoper verkochten dan in eigen land, een praktijk die men in sommige landen als 'dumping' scherp veroordeelt. Onderwijl handhaafde Japanse bedrijven binnenslands de vrede met de dango-praktijken.

De sprekers zijn het er echter over eens dat er nu iets moet veranderen in Japan. Het Economisch Planbureau heeft vorig jaar al uitgerekend dat deregulering - de Japanse term luidt overigens slechts 'verzachting van regels' - extra economische groei oplevert, een zeer belangrijk argument nu de jaren van hoge economische groei ruimschoots voorbij zijn en Japan vergrijst. Men is het erover eens dat juist een gereguleerde sector als de bouw niet internationaal concurrerend is. Een spreker stelt zelfs dat slechts 20 procent van het Japanse bedrijfleven qua productiviteit de concurrentie met Amerikaanse bedrijven aankan. En ook politicus Aso, die eerder uitweidde over Japan als dango-samenleving, noemt het computerspelletjesbedrijf Nintendo als voorbeeld van een bedrijf dat “een internationaal overheersende positie heeft bereikt, omdat er in die sector [in Japan] juist géén regulering is”.

Zoals bleek uit de beschrijving van de 'buurtverenigingseconomie' gaat het bij regulering niet alleen om overheidsregels, maar ook om een gevestigde orde binnen een bedrijfssector en interne regels om deze orde in stand te houden. Een sector 'computerspelletjes' bestond tot voor kort niet en dus bestonden er geen regels die Nintendo in zijn groei konden beperken.

Eisuke Sakakibara voorziet echter grote problemen bij het afschudden van het karakter van een 'publieke-werkenstaat' in het proces van globalisering dat Japan nu in zijn greep houdt. Sakakibara is plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie van Financiën en internationaal bekend als 'Mr. Yen' wegens zijn invloed op de valutamarkt.

Het probleem dat hij constateert is dat “vooral op het platteland veel werkgelegenheid nu eenmaal van publieke werken afhankelijk is”. Sakakibara bepleit expliciet vooralsnog slechts deregulering op het gebied van financiën en telecommunicatie, gebieden waar deze trend reeds is ingezet.

Deregulering in één sector zonder invloed op andere delen van de economie is echter niet mogelijk meent hoogleraar economie Heizo Takenaka - vroeger verbonden aan een denktank van het ministerie van Financiën. Zo voorziet hij grote veranderingen in de politiek als het dango-systeem in de bouw werkelijk wordt aangepakt. Om de simpele reden dat “de 30 procent die de overheid nu bij publieke werken te veel betaalt aan bouwbedrijven als donaties weer terugvloeien naar politici”.

Maakt de overheid werkelijk een einde aan dango dan zullen politici hun werkwijze grondig moeten veranderen. Op deze manier hoopt Takenaka dat er door de verbondenheid van alle delen van het systeem na de financiële 'Big Bang' die de regering nu voorbereidt door deregulering op de financiële markten, vanzelf andere delen van de samenleving zullen volgen. Als voorbeeld noemt hij met name het systeem van publieke aanbesteding.

Terwijl deze sprekers het er over eens waren dat de Japanse economie moet veranderen, werden door een groep sprekers grote vraagtekens gezet bij de capaciteiten van de Japanse regering om dit proces in goede banen te leiden. Zo legde de secretaris van de adviescommissie van de regering die hervormingen moet voorbereiden, LDP-politicus Mizuno, omstandig uit dat LDP-premier Hashimoto feitelijk geen bestuursmacht heeft. Ambtenaren houden het recht tot besturen aan zichzelf en weten dit op wetsartikelen te baseren. Daarnaast merkt Mizuno bij het schrijven van hervormingsvoorstellen bijvoorbeeld dat ambtenaren op eigen houtje veranderingen aanbrengen in de plannen van zijn adviescommissie. Dergelijke ingrepen zijn deel van een strijd om macht en privileges tussen ambtenaren en politici en tussen ambtenaren onderling.

Aangezien deze ambtenaren zodoende geen verantwoordelijkheid afleggen tegenover de gekozen volksvertegenwoordigers, constateerde de Amsterdamse hoogleraar Karel van Wolferen dat het Japanse ministerie van Financiën uiteindelijk verantwoordelijkheid zal moeten afleggen tegenover de Amerikaanse minister van Financiën Rubin.

Als Japan niet via deregulering een vergroting van de binnenlandse consumptie weet te bewerkstelligen, waardoor het handelsoverschot in de hand kan worden gehouden, zal Rubin over enige tijd weer aan de Japanse poort kloppen. Hetzelfde gebeurde twee jaar geleden - toen de yen naar Japanse inzichten te hoog was gestegen en exporteurs daar sterk onder leden - en dat leidde tot een groot pakket stimuleringsmaatregelen. Dit geld ging vooral naar publieke werken “waardoor helaas weer een deel van Japan onder het beton verdween”, aldus Van Wolferen. Hij bepleitte daarom een bredere visie op het geheel van deregulering en bestuurshervorming in Japan. Van de overige deelnemers, inclusief de genoemde secretaris van de adviescommissie voor hervormingen Mizuno, volgde een luid 'ja en amen'.