De huizen van Reve

* 'Een kaars voor Gerard Reve', over de Amsterdamse woonhuizen van Gerard Reve en huize Het Gras. Geïll. ƒ 29,50 (incl.verz.k.) Giro 6318695, Reservaat, Heiloo.

Op 14 augustus 1968 schrijft Gerard Reve zijn eerste brief vanuit 'La Peine', aan Bernard S., het adres van zijn latere Geheime Landgoed in het Zuid-Franse departement La Drôme. Hij ontdekte deze plek via Geert van Oorschot die er al een huis had.

Na bijna 47 jaar en vijftien adressen in Nederland leek een einde gekomen aan zijn voortdurende queeste, die al begon met de verhuizing van het gezin Reve van de Van Hallstraat 25 naar de Ploegstraat in Betondorp. “Laat elke hoop varen, gij die hier opgroeit”, zei Reve later over deze buurt.

Zijn tocht trekt een spoor door Amsterdam (*). Als hij in 1947 het ouderlijk huis aan de Jozef Israëlskade (De Schilderskade in De avonden) verlaat, volgen de adressen elkaar snel op. Van de ene etage naar de andere, van een 'zelfmoorddoos' in Osdorp naar 'een echte mensenwoning' aan de Plantage Kerklaan 43 drie hoog, tegenover Artis. Een woning met 'een vertrouwd aandoende apenlucht'.

Voorjaar 1970 keert Reve Amsterdam definitief de rug toe. Ook Huize Het Gras in Greonterp zal hij ten slotte verkopen en via woonadressen in Veenendaal en Weert waagt hij de sprong naar Frankrijk, waar zijn zoektocht naar het ideale huis en de ideale vriend, na veel wijn en gebed, Genade zal vinden.

Het telefoonboek van het Reviaanse gebied van La Drôme rond Dieulefit vermeldt 'Reve, Gérard' onder de plaatsen Vesc en Le Poët-Laval. Daar bevinden zich respectievelijk het Zomerpaleis en het Winterpaleis van onze katholieke Volksschrijver. Omdat ik zelf enige tijd domicilie houd in Le Poët-Laval, besluit ik eerst La Grâce te gaan zoeken. 'Tegenover de boulanger' zo had Willem den B. mij verzekerd.

In het benedendorp Gougne loopt de weg langs het plein van de Mairie de dorpsstraat in, via een Alimentation naar, jawel, de bakker. “C'est là”, wijst de madame van de bakker vanuit de winkel de straat in, “La Grâce, avec les roses.” De naam La Grâce is duidelijk te lezen in de witte gevelsteen op de eerste verdieping.

Even later sta ik op straat tegenover het hoekhuis, dat zich statig boven mij verheft. Op de eerste verdieping is het balkon, waarover Reve op 18 juli 1973 aan Simon Carmiggelt schreef dat hij er “het volk zoude kunnen toespreken of een huldeblijk in ontvangst zoude kunnen nemen”. Rechts naast het huis staat de ruïne van een kerk als een vergeten heiligdom.

Er hangt een doodse stilte om het Winterpaleis, waarvan de luiken zijn gesloten. “Hier verhuis ik niet meer levend vandaan, geloof ik”, schreef Reve op 9 augustus 1973 in Ik Had Hem Lief aan een van zijn Speelberen. Het lijkt erop dat het huis is overleden, na het vertrek van zijn bewoner naar het Belgische Machelen.

Naast de voordeur is een Maria-tableau in blauwe tegels in de muur gemetseld 'Nossas Stas das Gracas'. In de wit gepleisterde muur naast de voordeur (met kattenluikje) staat onder het jaartal 1976 een hart gegrift met erin een anker. Links de initialen M.V. en rechts G.R. In Frankrijk leerde Reve zijn levensgezel Matroos Vosch (Joop Schafthuizen) kennen.

Le Verbe staat er in de rechthoekige steen boven de solide buitendeur van het 'schrijfhok' aan het doodlopend pad links naast het huis. De ramen zijn zwaar betralied tegen ongeletterde apen en ander tuig. Hier schreef hij aan romans als Een circusjongen, Bezorgde ouders en Het Boek Van Violet En Dood. Achter die gesloten witte gordijnen deed hij in zijn prachtbrieven uitputtend verslag van zijn bouwactiviteiten.

De facteur van Vesc wijst mij de weg naar het adres dat volgens het telefoonboek 'quart peine' heet. Een stevige mistralwind duwt wild tegen mijn auto als ik het smalle steile bergpad oprijd. Het is niet verwonderlijk dat Reve hier in het begin kruisen sloeg als hij naar boven reed of vooraf kalmerende middelen slikte.

God heeft hier met een spade de kanten afgestoken. Een ravijn van vele tientallen meters diep gaapt rechts onder mij. Aan de linkerkant glijdt het steenmassief van de berg op armlengte voorbij.

Boven op de berg kies ik op een splitsing het verkeerde pad. De oude vrouw die ik naar het huis van Reve vraag, blijkt niemand minder te zijn dan Germaine Chastan! De vrouw van wie Reve de grond voor zijn Geheime Landgoed kocht. “Très gentil”, noemt ze hem. Zij die zo veelvuldig in zijn boeken voorkomt dat zij welhaast een hoofdpersoon genoemd kan worden. Weet zij wel dat Gérard zoveel over haar heeft geschreven? “Du bien ou du mal?” vraagt ze met een slim lachje en fonkelende ogen. Een jaar geleden was hij hier voor het laatst.

“U kunt het huis van hier zien liggen”, wijst ze. “Die twee voorste huizen. Op de boerderij ernaast woont een ménage met drie kinderen.” Haar wijsvinger trekt een lijn langs een verder gelegen berg: “Daarachter woont Ossot.” Van Oorschot, begrijp ik - ik weet nu wie in Oud en eenzaam het personage Osotti is.

Wie hier woont, bestaat alleen nog voor een handvol buren, verspreid in een omgeving van zo'n 600 hectaren. Reve in Oud en eenzaam: “Als ik ooit een plek van werkelijke stilte en leegte had begeerd, dan had ik die nu wel gevonden.” Maar in een plek kun je niet wonen. Dus begint in 1970 het eindeloze bouwen en het eindeloze geoudehoer van Dichter und Bauer Reve over de aanleg van de 'citerne', de bouw van de huizen. Soms stond hij tijdens het bouwen op het punt in snikken uit te barsten. 'Geen hond, geen bouwvakker, geen steunzwendelaar' zou je zo gek krijgen. Maar Reve moest bouwen om juist niet gek te worden.

Als nieuw staan de huizen tegenover elkaar in het zonlicht. Twee rechthoekige blokken. Stijl Amsterdam Betondorp. L'Albatros heet het schrijfhuis, naar het gelijknamige gedicht van Baudelaire. “Wilt u misschien even binnen kijken?” vraagt de verrassend mooie jonge vrouw van de boerderij. Ze doet de deur al open...

Voorbij Vesc rijd ik enkele uren later boven het dal, op weg naar Comps in een wonderlijke weidse wereld die ik nu beter dan anderen begrijp, omdat ik mij de drager weet van een groot en ondeelbaar Geheim.