Wallage: 'PvdA wil nu op resultaten wijzen'

De PvdA presenteert vandaag haar verkiezingsprogramma. Volgens fractievoorzitter Wallage kan D66 zich afvragen of die partij nog nodig is.

DEN HAAG, 6 OKT. Het verkiezingsprogramma dat de PvdA vandaag presenteert is niet een tekst die elke kiezer met gemak zal lezen. Maar het is evenmin een voorzichtig verhaal dat alleen maar bestaand beleid vastlegt, vindt fractievoorzitter Jacques Wallage. “Er staan genoeg punten in die niet klassiek-PvdA zijn, zal ik maar zeggen.”

Het programma beslaat 63 dichtbedrukte bladzijden en het kost zo'n twee uur om het door te werken. Verwacht u dat kiezers dit daadwerkelijk zullen doen?

“Nee, ik denk dat ook gemotiveerde kiezers alleen zullen kijken naar onderdelen die hen in het bijzonder interesseren. Maar een programma dient niet alleen om de kiezer te informeren, het is er ook om de partij de gelegenheid te geven de fractie te controleren. Vorige keer hadden we een essay als verkiezingsprogramma. Dat las lekkerder weg en was ook intellectueel misschien wel spannender. Maar de mogelijkheden van de partij om de fractie na de kabinetsformatie te controleren waren heel beperkt. Nu hebben we misschien een minder leesbaar maar wel preciezer programma.”

Het vertoont veel overeenkomsten met het vorige week uitgebrachte programma van D66. Een voorbode van intensievere samenwerking, een poging tot het wegtrekken van kiezers of gewoon ideeën-armoede?

“Dat is meer een vraag voor D66 dan voor ons. Dat klinkt misschien arrogant, maar wij zijn er al honderd jaar. De sociaaldemocratie heeft een lange geschiedenis en moderniseert zich. Er is een fase geweest waarin die modernisering zo achterbleef dat daarmee het ontstaan van D66 werd uitgelokt. De succesvolle modernisering nu roept vragen op voor partijen die zijn ontstaan uit een reactie op de aanvankelijk te geringe modernisering.”

Hun functie is vervuld. D66 kan zich opheffen?

“Nou, dat klinkt onhartelijk en ik hoop ook altijd dat kiezers die twijfelen tussen D66 en de VVD voor D66 zullen kiezen. Maar het gaat om het volgende: op het moment dat grote partijen stilstaan, ontstaat er een geweldige dynamiek voor kleine partijen. Op het moment dat grote partijen zich dynamisch ontwikkelen, en dat heeft de PvdA de laatste jaren gedaan, neemt de raison d'être van andere partijen af.”

Bent u bij het schrijven van het programma voorzichtig geweest, omdat er op dit moment een kabinet-Kok zit?

“Vier jaar geleden was dat zeker het geval. Toen hadden we veel uit te leggen. Nu kunnen we op resultaten wijzen. Toen we na een forse verkiezingsnederlaag met paars begonnen, waren we in het defensief. Bolkestein had de afschaffing van de sociaal-democratie afgekondigd. Nu vindt driekwart van onze eigen achterban dat het een echt PvdA-kabinet is. De resultaten komen ons toe. We kunnen dus een programma schrijven waarin het succes het fundament vormt, en de ambitie het gebouw.

“Overigens denk ik dat de partij het er mentaal nog steeds moeilijk mee heeft dat we vanuit succes opereren. We zijn zolang een oppositiepartij geweest, de partij etaleert altijd wat er moet gebeuren. Dat is natuurlijk prima, maar als ik bijvoorbeeld naar armoedebestrijding kijk (waarvoor de gewestelijke voorzitters meer aandacht vragen), dan zit hier een kabinet dat daaraan bijna een miljard extra heeft besteed.”

Het programma bevat vijf alinea's over sport. Stonden die er al in voordat Kamerlid en ex-atlete Mieke Sterk onlangs met haar kritiek kwam in Vrij Nederland?

“Dat heb ik me ook afgevraagd. In elk geval heeft ze nagelaten om mij als een van de twee verantwoordelijken voor dit programma over dit onderwerp aan te spreken. Ik las pas in Vrij Nederland dat er een probleem was. Los daarvan, ik geloof niet dat ze goed op haar netvlies heeft gehad hoe de procedure werkt. Want ieder fractielid kon gewoon suggesties aanleveren. Wat zij niet kon weten, omdat we over de financiële paragraaf geen mededelingen hadden gedaan, was dat we een uiterst royale uitbreiding van het sportbudget in onze doorrekening hebben. We gaan het bijna verdubbelen.”

Het programma besteedt veel aandacht aan de armoedeval: het fenomeen dat minima zoveel inkomensafhankelijke uitkeringen krijgen, zoals huursubsidie, dat zij er netto niet op vooruitgaan wanneer zij een baan aanvaarden. Is de PvdA hier niet zelf schuldig aan?

“Het antwoord is ja. We zijn daarvoor medeverantwoordelijk en dat komt omdat we altijd geprobeerd hebben op de 'goedkoopste manier' armoede te bestrijden. Daar bedoel ik mee: het geld zo gericht mogelijk inzetten. Vergeet niet, we hebben heel lang in de situatie gezeten dat er gesaneerd moest worden. De kabinetten-Lubbers I en II hebben reëel gekort op de uitkeringen. Het kabinet-Lubbers/Kok heeft bevroren. Het gevoel is dus lange tijd geweest dat algemene verhogingen om armoede te bestrijden er niet in zaten. Dat heeft steeds meer gerichte maatregelen uitgelokt. En dat nadert nu zijn grens, want de armoedeval wordt daardoor natuurlijk steeds groter. Ook in de toekomst sta je voor de vraag: hoe bereik je met een bepaald bedrag de armsten het best?”

En toch bedenkt u steeds weer nieuwe inkomensafhankelijke regelingen. In het programma wordt de 'individuele koopbijdrage' bepleit, overheidssteun voor de mensen met lagere inkomens die een huis willen kopen.

“Ho ho, die is ontstaan door een hele scheve situatie van nu. Als de subsidiëring van de hypotheekrente een belangrijk instrument is om mensen een eigen woning te verschaffen, waarom zou dat dan niet mogen gelden voor mensen met een laag inkomen? Een al voor veel Nederlanders beschikbare mogelijkheid - een huis kopen met gesubsidieerde rente - wordt door ons dus naar de 'onderkant' doorgetrokken. Dat is dus niet de zoveelste inkomensafhankelijke regeling.”

Nog even over uzelf. Verscheidene fractieleden die in 1994 in de Kamer zijn gekomen, maken u verwijten over de cultuur in de fractie. Voelt u zich aangesproken?

“Nou, het is niet eenvoudig om met een fractie te beginnen waarvan een deel eigenlijk door de partij was weggezet in de trant van 'ze mogen nog wel, maar echt goed zijn ze niet' en een ander deel met nieuwkomers waarvan het heil werd verwacht. Dat is toch een redelijk samenwerkend geheel geworden. Verder is er nog te weinig begrip voor onze specifieke positie: onze partijleider is premier en dat betekent dat je je als fractievoorzitter moet bedwingen om groots en meeslepend te leven. Wie daaraan twijfelt moet nog maar eens terugdenken aan de relatie tussen Brinkman en Lubbers. Ik voel me dus niet aangesproken.”