Versterving bij circa tienduizend patiënten per jaar

DEN HAAG, 6 OKT. Bij naar schatting 10.000 van de 135.000 mensen die jaarlijks in Nederland sterven, wordt in de laatste fase van hun leven gestopt met het toedienen van voeding en vocht. Eenderde van de patiënten stierf daarna binnen 24 uur en ongeveer evenveel binnen een week. Bijna 70 procent van hen was tachtig jaar of ouder.

Dit schrijven onderzoekers van de universiteiten in Amsterdam en Rotterdam en van het CBS in het zaterdag verschenen nummer van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Zij onderzochten zo'n 6.600 overlijdensverklaringen en lieten de artsen een vragenlijst invullen. De onderzoekers gebruiken de aanduiding 'versterven' voor het afzien van het al dan niet kunstmatig toedienen van voeding en vocht. Versterven kwam onlangs in de publiciteit door een klacht over het beleid in verpleeghuis 't Blauwbörgje. De inspectie voor de gezondheidszorg heeft inmiddels geconstateerd dat het verpleeghuis juist handelde.

Volgens de onderzoekers komt versterven het meeste voor in verpleeghuizen, in ruim de helft van de tienduizend gevallen. Huisartsen en medisch-specialisten krijgen daar ongeveer even vaak mee te maken. In de verpleeghuizen is bij zo'n kwart van de gevallen (mede) sprake van versterving, bij de patiënten van huisartsen en specialisten is dat zo'n 4 procent.

In een groot aantal gevallen stierf de patiënt niet aan de gevolgen van de versterving maar aan die van zijn ziekte. Bij een kwart was de diagnose kanker, ongeveer even vaak gaat het om een aandoening van het zenuwstelsel (meestal een hersenbloeding of herseninfarct). Bij 17 procent was er sprake van een psychische aandoening zoals dementie. Ongeveer de helft van de patiënten bij wie tot versterving werd besloten onderging op dat moment een medische behandeling. Vrijwel steeds werd daarmee gestopt en werd afgezien van het toedienen van antibiotica of medicijnen, opname in het ziekenhuis of diagnostisch onderzoek.

Een arts besluit ongeveer drie keer zo vaak tot versterving wanneer de patiënt geheel of gedeeltelijk wilsonbekwaam is als wanneer deze zijn mening nog kan geven. Bij wilsonbekwame patiënten wordt negen van de tien keer overlegd met familieleden, voordat met toediening van vocht en voedsel wordt gestopt. In ruim 5 procent van de gevallen besluit een arts tot versterving zonder overleg met wel wilsbekwame patiënten, ook niet als deze nog nooit hun wens daartoe hebben geuit.