'Terugsturen vluchtelingen soms beste ontwikkelingshulp'

Dr. Peter van Krieken (47) is raadadviseur bij het bureau buitenland van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Dit bureau geeft advies over wereldwijde migratiestromen en immigratie. Ook doceert hij aan Webster University in Leiden. Vanaf 1975 werkte hij voor het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de VN in Libanon, Jemen, Ethiopië, Duitsland, Zuid-Soedan, Zweden en Pakistan. Van 1983 tot 1987 was hij directeur van de Stichting Vluchteling.

'Ben ik veranderd sinds ik 22 jaar geleden voor vluchtelingen ben gaan werken? Ik denk dat de meesten in Nederland niet doorhebben dat het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties is veranderd. Die is Nederland ver vooruit in zijn pragmatische benadering. Het Hoge Commissariaat maakt zich zorgen over het maatschappelijke draagvlak voor opvang. De deur voor vluchtelingen moet ook in de toekomst open blijven. Ze vinden dat iemand die in een procedure is afgewezen, moet worden teruggestuurd. Zo voorkom je misbruik. In Nederland zetten we daar vraagtekens achter.

Het is niet voor niks dat 80 procent van de asielzoekers geen documenten aanbiedt. Vaak maken ze die moedwillig kapot. Daar moet je mee leren leven. De overgrote meerderheid van de uitgeprocedeerde asielzoekers die hier blijven, kan wel terug maar wil niet. Zo bleek onlangs ook met de tentbewoners in Dwingeloo. Ze presenteren zich niet bij de ambassade. Ze geven de verkeerde geboortestad of naam op, zodat de ambassade ze niet in de bevolkingsregisters kan vinden.

Over het bijkleuren van de feiten door vluchtelingen moet je je niet kwaad maken. Het is normaal. Nederlanders doen het ook als ze ergens naar solliciteren. Dan zeggen we ook wat de andere partij wil horen. Dienstplichtigen deinsden er vroeger zelfs niet voor terug om hun duim of vinger te verminken, zodat ze werden afgekeurd. Als asielzoekers verhaal X moeten houden om in land IJ te kunnen wonen, dan doen ze dat. Je moet het niet afkeuren, maar begrijpen en er rekening mee houden.

Onze asielprocedure is niet volmaakt maar ik weet niet hoe het beter zou moeten. Alle drie onderdelen van de Trias Politica komen aan bod. De uitvoerende macht beschrijft aan de wetgevende macht de toestand in een bepaald land en stelt beleid voor. De wetgevende macht controleert dat in mondeling overleg en kan zonodig de wet veranderen. De wetgevende macht biedt ook ruimte aan de onder de mensen levende emoties zoals dat hoort in een democratie. Dan moet het beleid worden uitgevoerd. De onafhankelijke rechterlijke macht kan de uitvoering toetsen tot aan het Europese Hof van Straatsburg toe. Dan vraag ik mij af: kun je een bestuursvorm met nog meer waarborgen bedenken?

In NRC Handelsblad schreef Michael Stein dat je nooit precies weet hoe het zal aflopen met teruggestuurde Iraanse asielzoekers. Dat klopt. Maar toch hebben wij de verplichting om tot een uitspraak te komen. Op het moment dat je fouten maakt, moet je meer mensen toelaten. Liever tien mensen te veel toegelaten die een fout verhaal hebben dan eentje onterecht teruggestuurd. Dat omstreden ambtsbericht maakt het wel mogelijk om een heleboel Iraniërs als vluchteling te erkennen. De situatie is daar natuurlijk niet ideaal. Ik begrijp ook niet hoe het demagogische misverstand heeft kunnen ontstaan dat wij Iran veilig vinden. Het enige wat we zeggen is, dat het land veilig is voor afgewezen asielzoekers. Dat is een tautologie.

In de jaren tachtig had het Hoge Commissariaat in Ankara een erkenningsquotum van niet meer dan 60 procent voor Iraniërs. Iraniërs omzeilden dus Ankara en kwamen op eigen houtje naar Europa. Nu wordt van het totale aantal Iraniërs die via het Hoge Commissariaat in Ankara komen, niet meer dan 30 tot 40 procent als vluchteling wordt erkend.

De populatie van vluchtelingen uit Iran verandert. Waren het vroeger geëngageerde intellectuelen of journalisten, nu gaat het veelal om vrachtwagenchauffeurs die beweren wel eens een pamflet te hebben verspreid. Het gaat daar economisch slecht. Elke Iraniër heeft eigenlijk twee banen nodig om te overleven. Het zou van de gekke zijn als zo'n land geen economische emigranten zou produceren. Maar natuurlijk mag de individuele asielzoeker nooit slachtoffer worden van dergelijke inzichten.

Het houdt eens op met procedures. Het zelfde is als mijn neefje veroordeeld wordt door de rechtbank wegens diefstal en hij blijft ontkennen. Dan moet je toch de uitspraak van de rechtbank respecteren. Je doet een pruik op en je doet net of je de waarheid in pacht hebt. Dat moet, want anders kun je niet leven. Je moet vertrouwen hebben in je eigen cultuur, je eigen instituten.

In absolute aantallen vluchtelingen staan we met 32.000 per jaar in Europa tweede na Duitsland (ruim 100.000). Maar waar je de lat ook legt, hoog of laag, er vallen altijd mensen boven en onder. Op het moment dat mensen onder de lat vallen, heb je een emotioneel probleem, een lobby of een actiegroep.

Je kunt niet altijd het hart laten spreken. Soms moet de ratio overwinnen. In Zuid-Soedan moest ik als directeur van de Stichting Vluchteling en later als hoofd van het kantoor van het Hoge Commissariaat settlements voor vluchtelingen opzetten. De hulp bestond uit landbouwwerktuigen, zaden en materiaal om hutjes en schooltjes te bouwen, schoolspullen, waterputten en gezondheidszorg.

We hadden met vluchtelingen een hele glijdende schaal naar zelfvoorziening vastgesteld: steeds minder voedselhulp naarmate de eigen landbouw op gang kwam. Op het afgesproken moment bleken ze niet zelfvoorzienend te zijn. Dat kwam niet doordat de oogst slecht was, maar doordat ze zelf geen vinger hadden uitgestoken. En dan kom je in een conflictsituatie. Als je toegeeft, dan denken zij en alle anderen die later zijn begonnen: 'O, ze nemen het niet zo nauw, dus waarom zouden wij ons druk maken'. Maar als je het been stijf houdt, dan hebben ze een paar maanden honger. Gode zij dank, zeg ik nu achteraf, zaten bij het Hoge Commissariaat, de hulporganisaties en de overheid mensen die zich niet lieten gaan in gevoelens van medelijden maar een keihard voorbeeld wilden stellen. Het was een groot risico, maar vanaf dat moment wist iedereen dat de geldschieter het meende en zich aan zijn woord hield. Sindsdien liep de hulpverlening aan vluchtelingensettlements in heel Zuid-Soedan als een trein. Dat zijn van die cruciale momenten.

Ik ben van de 68 generatie. Ik had altijd al polemologie, oorlogswetenschap, bij prof. Röling in Groningen willen studeren. Op mijn zestiende had ik zijn boek 'Oorlog en Vrede' gelezen. Mijn dominee, Verdonk, die later hoogleraar werd, bracht dergelijke problemen ter sprake tijdens catechisatieles. Röling gaf er in die tijd een Teleac-cursus over, net toen we tv hadden.

Van Röling heb ik veel geleerd over de oorlogsrechtspraak in Neurenberg en Tokio, waar hij zelf rechter was geweest in het oorlogstribunaal. Dan kwam je in die tijd al gauw op de Vietnam-oorlog. Dus ben ik gaan werken aan een proefschrift over deserteurs, dienstweigeraars en asielrecht. De meeste Vietnam-deserteurs zaten in Canada en in Zweden. Hier had je het beroemde geval van Ralph Waver. Je moet oorlogsrecht blijven koppelen aan volkenrecht en mensenrechten. Als je oorlogsmisdadigers bijvoorbeeld ter verantwoording roept voor het Joegoslavië-tribunaal, dan dienen Joegoslaven die zich aan de krijg onttrekken ook bescherming.

Aan de ene kant zijn mensen van mijn generatie dolblij dat wij nooit een oorlog hebben meegemaakt, maar soms zijn wij toch ook wel een beetje jaloers. Achteraf heb ik geleerd dat ik in een oorlog geen heldenrol zal vervullen. In de burgeroorlog in Beiroet deed ik wel dingen waarvan ik me achteraf afvroeg of het wel slim was. Toen ik voor de eerste keer schoten hoorde, liep ik als een enthousiaste jongen de straat op om te kijken wat er aan de hand was. Je ging van stadsdeel A naar stadsdeel B, terwijl je wist dat er op die brug scherpschutters stonden.

We waren daar bezig dorpjes op te bouwen die in de burgeroorlog vernietigd waren, niet wetend dat die burgeroorlog nog tien jaar langer zou duren. We probeerden twee groepen die met elkaar gevochten hadden, samen weer in hun dorp te krijgen en dat viel tegen. Bemiddelen is geduld hebben, praten, luisteren, luisteren, theedrinken, theedrinken. Ik moet daar vaak aan denken als ik het Dayton-akkoord over Bosnië zie en hoe men probeert in Joegoslavië mensen samen in een dorp te krijgen, terecht of onterecht. Dat kost een generatie.

De oorlog in Libanon was gruwelijk. Je loopt daar door een verlaten huis, je doet een ijskast open en er valt een arm en een been uit. Als de ene partij in een dorp kwam en er was niemand meer, dan deinsden ze er niet voor terug om de graven open te breken, de lijken eruit te nemen en aan een boom op te hangen. Zulke haat. Dan besef je dat beschaving maar een flinterdun laagje glazuur is.

Je wordt opgevoed in een Nederlandse omgeving met verlichte geesten als Röling en je blijft in het goede van de mens geloven. Dat probeer ik nog steeds, maar helaas word je geconfronteerd met menselijk gedrag dat niet overeenkomt met dat ideaalbeeld. Sommige kinderen hebben dat al door als ze zes zijn, maar bij ons babyboomers vallen dat soort kwartjes wat later. Daar moet je je balans in zien te vinden.

Als je vluchtelingen moest horen, kreeg je soms een paspoort waar dollarbiljetten uit vielen. Dan doe ik de dollarbiljetten er weer in en geef het paspoort terug. Daar kijken de mensen van op. Ze zijn misschien anders gewend. Dan merk je ook dat er een aantal standaardverhalen zijn. Sommige heel mooi en dus ook duur. Die verhalen gaan gepaard met striemen op de rug van zweepslagen die zijn aangebracht. Je weet nooit hoe of wanneer. Waarheid bestaat niet waar het zoeken naar relevante feiten niet altijd even gemakkelijk is.

In Ethiopië had ik te maken met terreur en repressie. Als ik in mijn autootje van huis naar kantoor ging, dan zag ik de lijken nog langs de weg liggen. Na de val van keizer Haile Selassi had je veel politieke partijen. Dat zag je ook in Iran na de komst van ayatollah Khomeiny. Een groot scala aan kranten, ideeën, enorme intellectuele bedrijvigheid, dan pas kreeg je de echte machtsstrijd en kwam er één partij bovendrijven. De mensen van andere partijen werden vervolgens vervolgd en vluchtten.

Bij de oorlog in de Ethiopische Ogaden-woestijn lag het heel anders. De Somaliërs trokken zich terug uit het gebied dat ze hadden veroverd, waarbij ze veel waterbronnen hadden vergiftigd. En ze namen de lokale bevolking, die ze hadden geterroriseerd, mee. Dat zie je vaak bij vluchtelingenstromen: werden ze nou gedwongen, was het een massapsychose of gingen ze uit eigen vrije wil? Dat kun je achteraf ook niet analyseren. Er gingen heel veel Ethiopiërs van Somalische etnische afkomst naar Somalië toe. De Somaliërs slaagden er in zich, ondanks hun misdaden en terreur, voor te doen als de morele underdog, ze luidden de noodklok en de internationale gemeenschap ging dat land helpen met de vluchtelingen daar.

Er kwam steun voor Ethiopië om daar het veld weer schoon te maken, zodat mensen weer konden terugkeren uit Somalië en met anderen konden overleven in de moeilijke omgeving van de Ogaden-woestijn.

Herstel en verzoening tegelijk is hondsmoeilijk. Wat doe je met de 60.000 Rwandese vluchtelingen? Er zitten natuurlijk notoire misdadigers tussen. Volgens sommigen zitten nu in Ethiopië mensen veel te lang in gevangenschap te wachten op een proces. Het zijn wel allemaal mensen die zich onder de toenmalige dictator Mengistu schuldig hebben gemaakt aan de verschrikkelijkste misdrijven, zowel op het gebied van de mensenrechten als op het gebied van oorlogsrecht. Veel Ethiopiërs willen nog niet terug. Het feit dat die processen zo lang duren, wordt ook als argument tegen terugkeer gebruikt.

Ook in Zuid-Soedan waar ik aan het hoofd van het kantoor van het Hoge Commissariaat kwam, was een burgeroorlog aan de gang. De stad waar ik was, werd belegerd, er was gebrek aan voedsel. Onder moeilijke omstandigheden moesten we de Oegandezen die daarheen gevlucht waren, repatriëren. Je moest met de rebellen onderhandelen om een vrijbrief te krijgen voor een konvooi. Je had het leger ook weer nodig om met de mijndetector bescherming te bieden. De rebellen moesten weten dat het leger er alleen maar was voor het konvooi en dat daar niemand anders bij zat. Heel gecompliceerd. Wat kon, kon, en wat niet kon, kon niet.

Waar je normaal vijf uur over deed, kostte nu vijf dagen. Stap voor stap met de mijndetector. Dan hoor je een hele harde knal, je kijkt om je heen en je ziet dat een auto achter je de lucht in is gevlogen. Als je die nacht - Afrika kan donker zijn - twee slachtoffers begraaft, als enige blanke in het konvooi, denk je, is het allemaal de moeite waard?

In Peschawar, aan de grens met Afghanistan, zijn we begonnen met het ter plekke helpen van mensen in nood. Dat is een nieuwe ontwikkeling sinds de hulp aan de Koerden in Noord-Irak. We hadden al 2,1 miljoen Afghanen in Pakistan. Wij vingen in 1994 de Kabuli op die aankwamen in Jalalabad, Afghanistan. Daar zitten ze nu. Waarom zouden die mensen tweehonderd kilometer moeten lopen als het ook met honderd kan. Mozes komt naar de berg.

Volgens de VN is de ideale uitkomst van een vlucht de veilige terugkeer naar huis, misschien na een maand, misschien na een paar jaar. Daarom is de opvang in de regio het meest geschikt. Asiel zoeken in het westen is duur. Zeven jaar geleden waren er veel Somaliërs naar Kenya gevlucht. Voor zover ik Somalië ken, geheel terecht. Veel Somaliërs investeerden flinke bedragen om naar Europa te komen, vijf- à zevenduizend dollar per man. Die hele Somalische gemeenschap investeerde evenveel in de jongelui die naar Europa kwamen als het bedrag dat de wereldgemeenschap gaf aan hulp aan die Somaliërs in Kenya. Dus je draait quitte zou je zeggen. Helaas worden de sociale kosten daar niet van afgetrokken. De mensen die naar Europa gaan, zijn de sterkeren, de slimmeren, de energiekeren, de mogelijke leiders. Wat er achterblijft, zijn de minder actieven, de bejaarden, de zieken, de kinderen, mensen die hulp nodig hebben. De gemeenschap implodeert en wordt van zijn krachtige elementen beroofd. Het is soms de beste ontwikkelingshulp om iemand terug te sturen.

In Oost-Soedan bouwden we met Ethiopiërs leefbare gemeenschappen op. En dan kwamen de Amerikanen langs en die roomden dat dan af, want ze hadden zwarte immigranten nodig. Die hele gemeenschap stortte in. Dan waren we een jaar bezig om het weer op te bouwen, met trainingen, investeringen en, hup, daar kwamen de Amerikanen weer.

Waar Europa per binnengekomen vluchteling een enorm bedrag uitgeeft, moest ik het in Peschawar doen met tien dollar per vluchteling per jaar. Voor dat geld kwamen er wel onderwijs en gezondheidsvoorzieningen. Nederland geeft aan asielzoekers een bedrag uit dat meer is dan de 1 miljard dollard die het Hoge Commissariaat ter beschikking heeft voor zijn wereldwijde programma voor 15 miljoen vluchtelingen. Dat doen Zweden, Denemarken ook en Duitsland doet dat nog eens drie keer.

Zijn de verhoudingen dan zoek? Maar het ergste is dat een groot deel van het bedrag dat Nederland aan asielzoekers besteedt uit de ontwikkelingshulppot komt. Het zijn enorme geldstromen.

Oorspronkelijk waren vluchtelingen de arme slachtoffers van communistische regimes. Nu gebruiken veel groeperingen de asielprocedure om politieke doelen warm te houden, pr te verzorgen. De massa's die reizen zijn groter. Er leven nu 450.000 Tamils in de diaspora. Die geven vrijwillig een bijdrage aan de Tijgers. Daarnaast creëren ze in al die landen frontorganisaties, beïnvloeden ze de Sri-Lankaanse pers, de lobby, de media, de hulporganisaties. Als je op het Internet gaat surfen en je ziet de homepages van die organisaties, dan merk je dat het beroepsjongens zijn. Het zijn grote bedrijven die ook wapens moeten kopen.

Natuurlijk heb je de immigratie niet in de hand. De grens ligt niet meer bij Lobith maar bij het loket. Het zijn glazen muren. Dat betekent dat je een nieuwe onderkant van de samenleving krijgt, die van de illegalen.

Er komen geen arme sloebers, maar mensen die het zich kunnen veroorloven. Je ziet hier haast geen Rwandezen, Mozambikanen of Oegandezen komen. De meesten vluchten naar buurlanden of binnen het land zelf.

Het is een misvatting te denken dat je de mensen het land niet meer uit krijgt als je hen activiteiten laat ontplooien tijdens hun asielperiode. Uit onderzoeksrapporten blijkt dat mensen die goed geïntegreerd waren in het asielland, ook de eersten waren om terug te gaan naar het land van origine. Je kunt met opgeheven hoofd terug. Als je het hier maakt, maak je het overal. Sommigen zie je van binnenuit wegkwijnen. Dat is treurig om te zien.

Wij zien immigratie helemaal als een humanitair probleem, maar er zit ook een utilitair aspect aan. Waarom moet de gezinshereniging, 60 procent van de netto influx, per se altijd in Nederland plaatsvinden en niet in het land van origine? We zijn geobsedeerd door het feit dat het hier moet kunnen, ook als bijna iedereen in het land van oorsprong woont.

Je kunt, behalve slachtoffers van vervolging of een burgeroorlog, ook mensen laten komen waar je wat aan hebt, een tandarts, een veearts, een kleermaker. Zo iemand als Gümüs zou je kunnen opvangen door een sponsorsysteem in te stellen, zoals in Amerika. Het betekent wel dat zo'n sponsor jaren verantwoordelijk is voor de immigrant. Geen werk? Dan betaalt de sponsor. Ik denk dat we eerst moeten kijken of we eigen burgers kunnen inzetten, want we hebben nog steeds veel werklozen. We zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de zwakkeren in de eigen samenleving.

Onze ontwikkelingshulp is nog steeds minder dan wat die landen verliezen omdat ze hun produkten niet aan ons kunnen slijten. Bij de Uruguay-ronde vroeg ik me af waar die vluchtelingen- en migratielobby's waren. In de 'global village' gaat het erom, mensen daar waar ze zitten een bestaan te laten opbouwen. Het feit dat mensen migreren is niet altijd even goed. Wie gaat er nu voor zijn lol van zijn 'roots' weg. Ik ben ook blij dat ik terug ben van mijn reizen en dat ik te zijner tijd begraven kan worden bij de kerk waar ik ben gedoopt.'