Meer ode dan portret van filmer

Het uur van de wolf: Eight days a week, Ned.3, 23.24-0.23u.

Het contrast zegt alles: na de niet aflatende opeenvolging van beelden in de openingstitels, door Gerrit van Dijk zelf gemaakt, begint de aan hem gewijde film Eight days a week met het beeld van een potlood dat met een mesje wordt geslepen. Na de vloeiende bewegingen van die titels zien we zodoende meteen waar ze vandaan zijn gekomen - uit de rust en de concentratie aan de werktafel van de ambachtelijke animatiefilmer. Zo begint dus zijn werk, met het slijpen van een potlood. Het is een beeld dat in de rest van de film niet meer wordt overtroffen.

Eight days a week, vanavond te zien in de NPS-rubriek Het uur van de wolf, is door regisseur Eric Willems een 'portret' genoemd. Ik zou eerder kiezen voor het woord ode. Een reguliere documentaire is de film in elk geval niet, daarvoor ontbreken te veel feitelijke gegevens. De uitzending wordt voorafgegaan door de nieuwe, acht minuten durende animatiefilm I move, so I am (Ik beweeg, dus ik besta) waarin Gerrit van Dijk een wonderbaarlijk mooi spel speelt met zijn eigen kunstvorm. Hij werkte de gedachte uit die Escher heeft verbeeld in de prent met de twee handen die elkáár tekenen, en schiep een in zichzelf besloten film die laat zien hoe een kunstenaar als hij tot daden komt: schetsen, uitvegen, tekenen, weer uitvegen, nog eens iets proberen en onderwijl zichzelf voortdurend rekenschap gevend van de keuzemogelijkheden. Hij heeft zijn gedachtegang in beeld gebracht.

Voor de camera leest Van Dijk iets voor uit een briefwisseling over zijn subsidie-aanvraag voor I move, so I am. De verder niet bij naam genoemde 'adviescommissie' blijkt het voorstel reuze interessant te vinden, maar vraagt op één punt om herziening: de film moet autobiografischer worden. En dat is nu net wat Van Dijk naar zijn zeggen niet wil; hij hoopt juist de worsteling van de kunstenaar met zijn materiaal te kunnen veralgemeniseren. Hoe het met die subsidie-aanvraag is afgelopen, wordt niet vermeld. De film is gemaakt zoals die Van Dijk voor ogen stond, dat is alles wat we weten. Later in het aan hem gewijde programma komt nog even een mevrouw voor die blijkbaar 'de financiën' regelt, maar meer houvast krijgen we niet.

Zo blijft ook de economische positie van een eigenzinnige, niet-fabrieksmatige animatiefilmer als hij volstrekt onderbelicht. Hoe hij al die tijd in staat is geweest zijn betoverende monnikenwerk te verrichten en de bijzondere films heeft kunnen maken waaruit enkele schaarse fragmenten in het portret werden verwerkt, krijgen we niet te horen. Wel kunnen we hem - en dat boeide mij het meest - op de vingers kijken. We zien hem aan het werk, beeldje voor beeldje een film opnemend (het honderdste beeldje van I move, so I am was aanleiding voor een feestje) en daarna ook nog doende met het geluid. Precisiewerk, in alle opzichten.

Maar kennelijk was Eric Willems er veel aan gelegen de animatiefilmer niet als het clichébeeld van de eenzelvige kluizenaar te portretteren. Van Dijk komt heus wel onder de mensen, lijkt Willems te willen zeggen. En zo wordt de hoofdpersoon door een cameraploeg gevolgd als hij een verzamelaarsbeurs bezoekt, zijn wekelijkse tekening voor het Haarlems Dagblad inlevert, als mentor voor jongeren optreedt en bij de masseur op de bank ligt. Veel voegen die beelden niet toe.

Spaarzaam is ook de informatie over de carrière van de in 1938 geboren Van Dijk, hoewel hij daar leuk over kan vertellen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het verhaal dat hij als kind meende pas kunstschilder te kunnen worden als hij eerst huisschilder was geweest, en uit zijn uitspraak over de bevoorrechte positie van zijn generatie: “Toen wij wilden neuken, kwam de seksuele revolutie - en toen we daarmee klaar waren, toen pas kwam de aids.”