In the mouth of madness

In the mouth of madness (John Carpenter, VS'95), ZDF, 22.15-23.45u.

In the mouth of madness heeft één scène van klassieke allure. Detective John Trent zit in een lunchroom koffie te drinken. Aan de overkant verschijnt een verwilderde bijlmoordenaar in een deuropening. Omstanders stuiven uiteen terwijl de man richting lunchroom waggelt. Met zijn rug naar het raam blijft Trent aan zijn koffie nippen.

Met dit soort scènes toont horror-regisseur John Carpenter zijn onmiskenbare talent. Maar verder valt er bar weinig te griezelen. Zeker, er zijn slijmerige wezens uit een andere dimensie, bloedende muren, ijzingwekkende visioenen en een heel dorp vol bijlzwaaiende maniakken. Er is zelfs een vrij intelligent scenario. Maar dat levert niet meer op dan een lange en wat bloedig uitgevallen aflevering van The Twilight Zone.

Genre-routinier John Carpenter is de man die horror een slechte naam gaf. Met Halloween (1978) maakte hij de klassieke slasher-movie; het soort film waarin een boeman anderhalf uur de tijd neemt om een groep tieners af te slachten. Dat leidde in de jaren tachtig tot horrorfilms die zich slechts lieten nummeren, zoals de Friday the Thirteenth-cyclus of de Nightmare on Elms Street-serie. Halloween zelf is anno 1997 aan deel zeven toe. Nu het slasher-genre droog is gemolken, is de horror in een creatieve impasse geraakt. Men overtreft elkaar in liters vergoten bloed en ingewikkelde effecten, maar eng wil het maar niet worden.

Ook In the mouth of madness is eerder amusant dan griezelig. Detective John Trent (een schmierende Sam Neill) is op zoek naar horrorschrijver Sutter Cane (zeg maar Stephen King), die verdwenen is na enkele hoofdstukken van zijn laatste boek te hebben ingeleverd. Trent vindt hem en ontdekt dat de auteur al die jaren eigenlijk non-fictie schreef. Zijn nieuwste roman, In the mouth of madness, drijft zijn lezers bovendien tot een moordlustige waanzin. En Trent is de hoofdpersoon van dat boek.

Dat levert een aardig spel van droom en realiteit op, een vingeroefening in paranoïde schizofrenie. Carpenter laat het in principe subtiel gelaagde scenario echter verdrinken in special effects. De film illustreert het probleem van de horror in de jaren negentig: te veel spektakel, te weinig suspense. Het gegeven dat je metgezellin zich tegen je keert, moet toch ook te verfilmen zijn zonder dat er trossen tentakels uit haar buik groeien en haar hoofd driemaal om haar nek draait?