Het ogenblik bestaat

De informatiestroom waaraan wij blootgesteld zijn en de gevolgen daarvan zijn al lange tijd een punt van zorg. “De realiteit van een voorval (een bombardement van een ambulance; een concentratiekamp; het executeren van een moordenaar, en de onbeschrijfelijke martelingen die daaraan vooraf moeten gaan) dringt, nadat de bladen er drie of viermaal over bericht hebben, al nauwelijks meer tot de lezer door; vandaar dat onze publiek opinie snel in opstand en nog sneller weer tot rust komt [...]”, schreef Menno ter Braak in 1936.

Bij een beetje kritische negentiende-eeuwse schrijver kan men dezelfde geluiden horen: onze tijd is zo hectisch, doet zo'n aanval op de perceptie dat de mensen er als vanzelf afgestompt door raken.

Zouden we werkelijk almaar stomper worden, nu al eeuwen achter elkaar?

Joachim von der Thüsen schreef Het verlangen naar huivering. Over het sublieme, het wrede en het Unheimliche. In zijn boek beweert hij ondermeer dat het informatiebombardement, de media met hun snel wisselende beelden, de mensen vervlakken. Vorige week werd hij daarover geïnterviewd in Trouw. In dat interview zei hij het ook weer: “Erger nog is dat onze beeldenkosmos met zijn eindeloze herhalingen het 'hier gebeurt het' heeft vernietigd. Het ogenblik heeft zijn diepte verloren.” Het voornaamste verschil met Ter Braak is dat de eerste dit alles aan de invloed van de woorden toeschreef, in zijn tijd was het nog de radio die de mensen afstompte, terwijl tegenwoordig de beelden de boosdoeners zijn. Het idee is hetzelfde: we hebben te veel gehoord en gezien, te weinig tot ons door laten dringen, het lukt ons niet meer om door de woorden en beelden heen de realiteit te ervaren.

Dat er van alles te horen en te zien is valt moeilijk te ontkennen, maar of daar nu de conclusie uit getrokken moet worden dat het 'hier gebeurt het' is vernietigd? Dat wij bestaan uit afstomping en retoriek, zoals Ter Braak meent?

Voorstellingsvermogen, inleving, medelijden, het neemt allemaal gemakkelijk een hoogst vrijblijvende vorm aan. Dat is niet hetzelfde als botheid. Beelden en woorden vragen ons dikwijls om iets te voelen voor mensen, bij situaties, waar we machteloos tegenover staan. Hoe verschrikkelijk een bomaanslag in Tel Aviv ook is - meer dan medelijden of afschuw op afstand ligt niet in ons vermogen. Schouders ophalen, aan iets anders denken, wegzappen - wie dat doet, is niet noodzakelijkerwijs gevoelsarm en niet langer in staat om de realiteit tot zich door te laten dringen, die vult alleen maar niet elk beeld met gevoel en betekenis. Hoe zou hij ook? “De afstomping van ons voorstellingsvermogen laat een beetje medelijden altijd nog wel toe, maar voor de rest hebben de woorden hun plicht al gedaan”, schrijft Ter Braak vol minachting over de eigen tijd.

Toch kan dezelfde die niet meer dan vaag medelijden voelt voor hongerenden in Afrika, op straat toeschieten als iemand is aangereden, trouw een kennis in het ziekenhuis bezoeken, meeleven met een ongelukkige vriend - omdat het moment, de directe ervaring nu juist niet afgestompt zijn. Een overvloed aan beelden en woorden maakt (soms) onverschillig voor beelden en woorden, niet per se voor de werkelijkheid die er achter zit en nog minder voor de werkelijkheid zoals die zich voor onze neus af speelt.

Wat niet wil zeggen dat het altijd zo makkelijk is om iets werkelijk mee te maken. In het gedicht 'Stadsgeluiden' schrijft Judith Herzberg over hoe de geluiden in de stad in een warme nacht klinken, en besluit met “Ik hoor het graag, het doet me denken aan/ 22 Juni 1964, dat is het vanavond”. Dit gedicht zegt alleen maar heel eenvoudig: het is nu. En dat is bijzonder genoeg. Wie maakt niet mee dat het steeds zeldzamer nú lijkt: de geur van natte stoeptegels in de zomer is een kindergeur, warme dennenaalden in het bos horen bij schoolreisjes, het geluid van rinkelend ijs klinkt naar ooit rinkelend ijs, de zanderige vloer van een strandpaviljoen onder je blote voeten is een bijna museale ervaring - alsof nu juist niets meer iemand ooit doet denken aan '22 Juni 1964, dat is het vanavond'. Het heimwee naar het heden groeit, het verlangen naar de onmiddellijke ervaring, zonder tussenkomst van de herinnering, het woord, het beeld.

Misschien bedoelt Von der Thüsen dat als hij zegt dat het ogenblik zijn diepte heeft verloren? Toch is het niet waar. Het hevige ogenblik bestaat, al is het wellicht zeldzamer geworden. Zelfs het ogenblik op de televisie heeft zijn diepte niet verloren: hoeveel Nederlanders zijn niet voor de televisie in tranen uitgebarsten toen ze de brandende flat in de Bijlmermeer zagen? Aan die eerste indruk doet latere herhaling niets af. En omgekeerd: talloos zijn de afbeeldingen en reproducties van de fresco's in Assisi. Maar wie daar uiteindelijk echt staat, in die kerk, die wordt verpletterd door een herhaling die niets met alle vorige keren te maken heeft - het echte beeld bevrijdt zich daar weer van alle vermenigvuldiging. Dat die al zo veel eeuwen bestaand hebbende schilderingen nu verdwenen zijn wordt niet gecompenseerd door beelden en woorden - alleen het echte maakt die overweldigende indruk. Zoals, hoe afgezaagd ook, een echte berg, ongenaakbaar de lucht instekend, toch de ervaring van geringheid bezorgt, hoeveel woorden, natuurfilms en zoete bergplaatjes ons ook bestookt hebben.

En ook woorden zijn echt, en geven aan momenten een soms peilloze diepte. Het is onvruchtbaar pessimistisch gepraat, dat van die afstomping en die beeldenstorm. Stel je toch voor dat het waar was: “Het ogenblik heeft zijn diepte verloren”. Dan konden we zo net goed dood zijn.