Geworstel met God

Tirade 370, nr. 4 1997. Uitg. Van Oorschot 94 blz. Prijs ƒ 25,-.

Geloven kun je in de meest merkwaardige zaken, maar twijfelen is de laatste jaren veel populairder. Er wordt wat afgetwijfeld aan het einde van deze eeuw, aan God, aan het katholicisme, aan de bijbel en natuurlijk twijfelt iedereen aan zichzelf; voor Tirade was het in ieder geval genoeg om er een apart themanummer aan te wijden. De titel 'Eeuwige vragen' verwijst allereerst naar twee gedichten van Rutger Kopland die het nummer openen. Mooie gedichten, die de 'eeuwige vragen' weliswaar voor de zoveelste keer stellen, maar door hun taal en vorm tegelijk een beetje oplossen. 'Waar komen de grote mensen vandaan / en waarom hebben ze geen kinderen // van die eeuwige vragen // het gesprek is voorbij - ik had haar die eeuwige verhalen / verteld maar die waren niet goed zei ze // ik zoek nog steeds naar een ander verhaal dat god is voor ons beiden. // we waren gaan zitten en ik weet nog precies / hoe we daar ergens zaten - hoe dichtbij haar huid rook / hoe jong dat rook en hoe verweg // en dat ik precies dezelfde vragen / moest denken als zij.'

Mooi is ook 'De wraak van Meneer Lucace', een onbekend verhaal van Richard Minne dat niet is opgenomen in zijn Verzamelde verhalen - zijn biograaf Marco Daane ontdekte het in de archieven van een tijdschrift. In al z'n eenvoud is het goed geschreven; bovendien past het goed in het Tirade-thema. Meneer Lucace is gepensioneerd en gaat met zijn vrouw op een 'buiten' wonen, ver weg van 'het lawaai van de grote stad'. Na de verhuizing - mevrouw Lucace is even weg - ontdekt hij een stapeltje oude brieven van haar minnaar. Het geloof in zijn vrouw, die hij nooit van ontrouw heeft verdacht, is gebroken en subtiel probeert Meneer Lucace haar te straffen. Wat hem zowaar lijkt te lukken.

Gelukkig voor het thema zijn er ook nog mensen die ergens in geloven in deze Tirade, al loopt het met hen niet best af. Neem de schrijver Dirk Coster (1887-1956), die geloofde in Dostojevski. Dat mag tegenwoordig wat merkwaardig klinken - wie gelooft er nog in literaire schrijvers - voor Coster was het dé oplossing: Dostojevski was volgens hem de brenger van een nieuw geloof, een evangelist 'wiens woord de opspringende vlam was, die onvermoede diepten van hun eigen ziel aan henzelf onthulde'. Wie dit leest is geneigd om Coster af te doen als een mallloot met een tik van de Russische molen, maar in de jaren twintig gold Coster als een invloedrijk essayist en criticus, zozeer zelfs dat er een kleine horde van criticasters voor nodig was om de invloed van zijn gezwollen essays in te dammen - Du Perrons befaamde filippica Uren met Dirk Coster was slechts de laatste in een rijtje. Volgens Hidde Bulthuis in deze Tirade was Coster eigenlijk een zielig geval, die zijn worsteling met het christendom omzette in een tijdelijk geloof in Dostojevski.

Het dragende stuk van dit nummer komt van de classica en theologe Carola Kloos. Zij reageert op de verschillende geloofsdiscussies die zich het afgelopen jaar in deze krant hebben afgespeeld tussen onder anderen Willem Jan Otten, Rudy Kousbroek, Marjoleine de Vos, Herman Philipse en Maarten 't Hart. Kloos kiest haar positie zorgvuldig in het midden, door mee te delen dat ze zelf niet gelooft, ('Na veel misleiding door studentenpredikanten (-) na veel gepieker, na jarenlang wegschuiven van de kwestie, kwam ik tenslotte tot het licht: God bestaat niet. Het is jammer, want het was een mooi idee.') maar noemt zichzelf ook niet 'orthodox in haar ongeloof'. Deze combinatie geeft haar, naar eigen zeggen, 'meer recht om kritiek op (het geloof) af te vuren' (dan wie laat ze in het midden). Uitgebreid analyseert Kloos het verschil tussen een motief en een reden om te geloven; vervolgens probeert ze zich een beeld te vormen van de figuur God, waarbij haar methodiek wel een beetje aan die van Karel van het Reve doet denken. God als oude man met baard heeft afgedaan, maar alle andere vormen die voor 'God' zijn bedacht bestaan volgens Kloos allang, maar onder andere namen: 'Mijn bijdrage tot deze discussie is (-) dat het geen zin heeft iets 'God' te noemen waar al een andere term voor bestaat. Voor het 'Groot-Geheel' hebben wij reeds de term 'universum'. Wat zou mij in 's hemelsnaam ertoe kunnen bewegen daar een andere naam voor te accepteren?' Kloos' betoog is interessant, en het is veelzeggend dat haar standpunt zo nadrukkelijk in het midden blijft. Met al haar rationaliteit zie je haar worstelen met de ontroering die ze voelt bij de kerst-nachtdiensten op televisie - of de aanleiding daarvoor nu bestaat of niet. Uiteindelijk twijfelt Kloos vooral over haar eigen twijfel - eind-twintigste-eeuwser lijkt me nauwelijks mogelijk.