Diverse invloeden leiden bij Ketting tot sluitend geheel

Concert: Nieuw Ensemble o.l.v. van Ed Spanjaard. Gehoord: 5/10 De Doelen Rotterdam. Herhaling: 11/10 Nieuwe Kerk Den Haag.

Otto Ketting, aan wie vanaf morgen de het Haagse Festival in de Branding is gewijd, heeft met Ravel een passie voor reizen gemeen. Ketting gebruikt de boot als metafoor voor het leven als een zoektocht, uiting gevend aan zijn zin voor avontuur. Ravel ontwierp symfonische gedichten onder titels als Dédale 39 ('een vliegtuig in C groot') en Icare. Kettings lievelingsstuk is Ravels Trois poémes de Stéphane Mallarmé. Zondag werd het in De Doelen uitgevoerd door een uiterst geïnspireerd Nieuw Ensemble en zaterdag wordt het concert tijdens het festival herhaald in Den Haag.

De 'diepgaande, dwingende tederheid', zoals Ravel de gedichten van Mallarmé omschreef, kregen bij hem exact dezelfde muzikale uitdrukkingskracht mee. In het eerste lied is de textuur nog tonaal, in het tweede a-tonaal, zij het binnen een tonaal kader. Het derde springt geheel uit de lijst van de klassieke harmonie, verder is Ravel niet gegaan.

Ravels messcherpe schoonheid, helder én hermetisch, kenmerkt voor een belangrijk deel ook Kettings klanktaal, met name in het hier uitgevoerde Winter (1988). De componist verwijst hier niet naar een boot, zoals in zijn trilogie De Overtocht, De Aankomst en Het Oponthoud, maar naar een goed verwarmde trein die ons door de kou voert langs verlaten landschappen en grauwe luchten. Ook voorgaande composities als Summer en Autumn zijn ingehouden, er is zeker in Summer verwantschap te vinden met Kettings overwegend reflectieve opera Ithaka.

Maar niet alleen het Franse impressionisme beïnvloedde de componist. Uit het festival blijkt een voorliefde voor Amerikanen als Barber, Copland en McPhee (gedeeltelijk Canadees). Ketting was ook de eerste die in Nederland het belang onderkende van de originele muziek van Charles Ives. Ritmische vitaliteit van Amerikaanse oorsprong lijkt haaks te staan op zwevende Franse schoonheid van meer precieuze aard, maar het duidt de kracht van de componist, dat diverse invalshoeken toch resulteren in een sluitend geheel.

Werkelijk statisch als een Feldman bijvoorbeeld componeert Ketting echter niet. Messcherpe strakheid vormt het kader waarbinnen in Winter de strijkers zich doen gelden als meest dramatische protagonisten, - even is er een verwijzing naar Vermeulens Tweede symfonie, zoals in De Overtocht, een moment dat de Alban Berg van het Vioolconcert als het ware wordt aangeraakt. Treffend is de knappe timing, onverbiddelijk loopt de spanning uit in declamatorische eenstemmigheid.

Sander Germanus heeft nog niet zo'n vormbewustzijn kunnen veroveren, maar Adamsarchipel (1979) is wel een stuk waarmee deze 25-jarige componist zijn nek uitsteekt. Ook hier gaat het om een reis. Je zou kunnen spreken van een symfonisch, of beter nog: geografisch gedicht, geïnspireerd als het is door een toekomstige reis naar de nieuwe Amsterdamse eilandengroep IJburg, een reis per boot en te voet.

De tokkelinstrumenten-traditie van het Nieuw Ensemble lapt Germanus aan zijn laars, zich concentrerend op het idee van faseverschuiving in een versnellingsloep in de blazers, waartegen de tokkelaars en de piano juist vertragen, terwijl contrabas en cello constant blijven. Wanneer een van de zes eilanden is bereikt, stopt die gecompliceerde puls. Aan begin en eind wordt water gesuggereerd door middel van een meterslange regenpijp zoals je die kunt bewonderen in een museum voor volkenkunde.

Het idee is aardig, de uitwerking verzandt toch in een continue blijmoedigheid van openliggende akkoorden. Misschien had Germanus de diverse gelaagdheden dynamisch scherper kunnen profileren. Messiaen lanceerde het idee van een ritmische thematiek, die hij versterkte door er de ene keer klanksterkte en de andere keer klankkleur aan te koppelen. Messiaens reizen voerden steeds naar de hemel, verder kun je niet reiken.