De ego-documentaire als aanklacht

Is het verstandig om je als programmamaker tot hoofdpersonage van je product te bombarderen? Die vraag was gisteren in twee gevallen aan de orde: bij Saskia Vredeveld van de VPRO en bij Peter R. de Vries van RTL 4. Hun programma's waren niet in thematisch opzicht, maar wel qua methodiek met elkaar te vergelijken.

Beiden werden in hun persoonlijke leven geraakt door een negatieve, in het geval van De Vries zelfs bedreigende, ontwikkeling, en ze besloten er in de vorm van een uiterst subjectieve ego-documentaire op te reageren.

Vredeveld was op 20-jarige leeftijd moeder geworden, snel gescheiden en vijf jaar later tot de conclusie gekomen dat ze een grote toekomst als cineaste voorlopig wel kon vergeten. De vader liet zich weinig meer aan zoon Mickey gelegen liggen, zodat de moeder voor alle praktische consequenties van het ouderschap kon opdraaien.

We waren getuigen van Vredevelds frustrerende speurtocht naar betere woonruimte en naschoolse opvang. Uit alles bleek dat de Nederlandse samenleving - Vredeveld woont in Amsterdam - nog altijd slecht berekend is op de opvang na school van kinderen met werkende ouders.

Vredevelds lot was weinig benijdenswaardig, maar toch groeide er bij mij enige irritatie over de toon van verongelijktheid en zelfbeklag die zich zelfs al in de titel van de film veel te nadrukkelijk manifesteerde: Kijk eens wat een mooie wereld. Alsof een jonge moeder uit Bosnië terugkeek op de barre oorlogservaringen van haar gezin.

Vredeveld zat in een moeilijke positie, en wij, de Boze Buitenwereld, waren de schuldigen. Toch hadden wij haar niet bevrucht toen ze twintig jaar was. Dat had een jongen gedaan die al heel snel niet bij haar bleek te passen en vervolgens met de mentale noorderzon was vertrokken. Saskia en haar vriend hadden een ingrijpende fout gemaakt, en de maatschappij moest de gevolgen daarvan zo snel mogelijk ongedaan maken, want Saskia wilde ook nog op korte termijn een beroemde filmer worden.

Ik voelde me niet aangesproken. Ik gun haar die carrière, maar zou ze niet enkele passen op de plaats kunnen maken tot haar zoontje wat ouder is? Het is een vraag die een objectieve filmer haar ongetwijfeld voorgelegd zou hebben. Dat kon echter niet, want Saskia Vredeveld was haar eigen filmer. Haar film was bedoeld als een aanklacht tegen alles en iedereen, behalve tegen zichzelf.

In het geval van Peter R. de Vries werd in Netwerk eveneens de vraag gesteld of hij zijn reportage niet beter door een ander had kunnen laten maken. Het betrof De Vries' reportage over zijn ervaringen met gangster Steve Brown die een lastercampagne tegen hem was begonnen.

Er was een confrontatie in de studio met twee critici: hoogleraar Henri Beunders en - vooral - journalist Henk van Hoorn. De Vries reageerde weer op de van hem bekende wijze: als de Grote Onbegrepene van de Nederlandse journalistiek. “Wanneer heeft u voor het laatst een reportage in de praktijk gemaakt?” beet hij Van Hoorn toe.

Met wat minder agressiviteit had hij ook wel staande kunnen blijven in de discussie. Zijn critici konden mij althans niet overtuigen. Hij had naar de rechter moeten gaan, vond Beunders. De Vries riposteerde terecht dat dát nou juist in het verleden niet had gewerkt.

Van Hoorn opperde dat hij de reportage beter door een collega had kunnen laten maken. Maar welke collega had daaraan zijn vingers willen branden? De Vries neemt een geweldig persoonlijk risico met zijn film: zolang Brown leeft, moet hij met een wraakactie rekening houden. Dat hij desondanks de confrontatie met hem aanging, vind ik moedig.

Het uitgangspunt van De Vries was misschien niet helemaal zuiver - er kleven, ook al ontkent hij dat, wel degelijk elementen van een persoonlijke vete aan de hele affaire - maar het doel mocht er wezen: ontmaskering van een levensgevaarlijke gangster, die journalisten afperste en toch bij justitie een wit voetje als kroongetuige wist te halen.

“Het was met een kanon schieten op een bacil”, hoonde Van Hoorn. Ik denk dat hij blij mag zijn dat die bacil niet in zijn bloed zit.