Congo weert vluchtelingen uit Rwanda

NAIROBI, 6 OKT. De Democratische Republiek Congo wil niet opnieuw Hutu-vluchtelingen uit Rwanda op haar grondgebied toelaten. Daarom sloot het land in het weekeinde de grens met Rwanda en gebood het de Vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) haar biezen te pakken.

De Congolese autoriteiten zouden naar eigen zeggen de afgelopen dagen al vierduizend Rwandese Hutu's hebben teruggestuurd. Dit betrof deels gevangengenomen Hutu-strijders van de moorddadige militie Interahamwe, deels vluchtelingen. De Congolese minister van Binnenlandse Zaken, Mwenze Kongolo, zei gisteren op een persconferentie in de hoofdstad Kinshasa: “We wensen geen vluchtelingen meer op ons grondgebied”. Tevens sprak hij over duizend bewapende voormalige regeringssoldaten uit Rwanda die zich verschansen in de bossen bij Mbandaka, in noordwest-Congo.

De afgelopen weken zijn hevige gevechten uitgebroken in noordwest-Rwanda, een bolwerk van Hutu-extremisme. Organisaties voor de rechten van de mens hekelen zowel het Rwandese regeringsleger als Hutu-opstandelingen wegens misdaden tegen burgers in deze strijd. Sinds enkele dagen stromen honderden vluchtelingen die de wijk nemen voor deze gevechten naar Oost-Congo, veelal dezelfden die in november, onder druk van de rebellie van de Congolese verzetsstrijder Kabila, waren teruggekeerd naar hun huizen in Rwanda.

Een Rwandese legercommandant zei in het weekeinde: “Het is niet in het belang van Congo en Rwanda dat mensen hun land verlaten waardoor extremisten zich beschermd weten”. Volgens de commandant hebben Hutu-militanten de bevolking in het noordwesten van Rwanda opgeroepen om massaal naar oost-Congo te vluchten.

In 1994 organiseerden Hutu-militanten na de genocide een exodus van ruim één miljoen Rwandezen naar het toenmalige Zaïre. Moordenaars gedurende de genocide tegen de Tutsi's gebruikten de vluchtelingenkampen als dekmantel voor hun militaire activiteiten tegen het nieuwe Rwandese regime, totdat het Rwandese regeringsleger samen met de opstandelingen van de huidige Congolese president Kabila de kampen eind vorig jaar leegveegde. De herbewapening van Hutu-militanten vond plaats onder de neus van de UNHCR. Hierdoor onstonden uiterst slechte relaties tussen enerzijds de regering van Congo en Rwanda en het UNHCR anderzijds.

Het oosten van Congo is al enkele maanden onrustig, en niet alleen door de verwikkelingen tussen Hutu's en Tutsi's. In oost-Congo is de alliantie van strijdkrachten rond Kabila uiteengevallen. Tribale milities (zogenoemde Mai-Mai) die aanvankelijk met Kabila meevochten, sloten een verbond met Hutu's en bonden de strijd aan met het nieuwe Congolese regeringsleger. Hun voornaamste doelwit zijn Tutsi's en na uitgebreide gewelddadigheden rond de stad Masisi vluchtten duizenden Tutsi's naar Rwanda.

Inmiddels zouden volgens de Congolese regering achtduizend Mai-Maistrijders zich hebben overgegeven; ze zouden zijn opgenomen in het regeringsleger. Masisi, waar door het geweld van de Mai-Mai een groot deel van de infrastructuur is vernietigd, is sinds kort weer rustig.

Zuidelijker, rond de stad Uvira bij de grens met Burundi, hebben leden van de Bembe-stam, die al eerder met Kabila vochten, een verbond gesloten met Hutu-strijders uit Rwanda en Burundi. Ook zij keren zich tegen Tutsi's. Deze gevechten gaan nog steeds door. Onduidelijk is of er nog Rwandese regeringstroepen meevechten met Kabila's regeringsleger. Rwanda zegt al zijn troepen vorige maand uit Congo hebben teruggetrokken.