Charles Rosen: erudiet, doordacht en verfrissend

Afgelopen week was de beroemde Amerikaanse pianist en musicoloog Charles Rosen enkele dagen te gast bij het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij gaf er een lezing, een concert en een masterclass.

DEN HAAG, 6 OKT. Als er niet een tijdspanne van een eeuw (en luttele dagen) bestond tussen de dood van Ludwig van Beethoven en de geboorte van Charles Rosen, zou je kunnen geloven dat Beethoven Rosen had uitverkoren om in te reïncarneren. In woord en spel betoont Rosen zich een Beethoven-advocaat zonder weerga. Weinig pianisten vertolken Beethovens late pianosonates zo spontaan klinkend, en tegelijkertijd zo doordacht als de Amerikaanse musicus Charles Rosen (1927). Zijn toucher is kernachtig, zijn techniek lijkt zelfs op hoge leeftijd geen belemmeringen te kennen, zijn pedaalgebruik is verfrissend, zijn tempokeuzen zijn uitdagend.

Tegelijkertijd zijn er maar weinig musici die hun muzikale inzichten zo overtuigend en wetenschappelijk gefundeerd te boek hebben gesteld als Rosen. Nog dit voorjaar verscheen van zijn klassieke studie The Classical Style: Haydn, Mozart and Beethoven een nieuwe editie, verrijkt met een nieuw hoofdstuk over Beethovens Sonates opus 106 en opus 110.

Afgelopen week was de zeventigjarige Rosen enkele dagen te gast bij het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij gaf er een lezing, een recital in De Grote Haagse Pianoserie en een masterclass voor studenten. De naam Beethoven viel regelmatig tijdens de lezing, Beethovens Sonate opus 110 was onderdeel van het concertprogramma en hij kritiseerde onder meer de uitvoeringen van Beethovens muziek door conservatoriumstudenten.

Zaterdagochtend. Rosen uit druk gesticulerend zijn teleurstelling over de kwaliteit van de twee Steinway-vleugels die in de concertzaal zijn opgesteld ten behoeve van de masterclass. Als een sfinx, met de ogen gesloten en de handen gevouwen, luistert Rosen vervolgens naar de uitvoering van Beethovens Sonate opus 109 door studente Ani Avramova. Tijdens het tweede deel snuit hij luidruchtig zijn neus (“kom niet bij me in de buurt, ik word geteisterd door een verschrikkelijke verkoudheid'). Avramova speelt onverstoorbaar door. Dat Rosen haar de gehele sonate laat voorspelen, alvorens kritiek te leveren, is typerend. De grote lijn van het muzikale betoog is voor Rosen zo mogelijk van een nog groter belang dan de pianistieke detaillering.

De slotmaat is amper uitgeklonken of Rosen springt op en barst los. Het kernachtige motiefje waarmee de sonate begint, speelt Avramova al fout. Ze verwisselt de accenten - licht wordt zwaar en vice versa. Elders smoort ze een cruciale linkerhandpassage in pedaal, haar tempokeuze is niet optimaal en zo meer. Hij speelt passages voor, slaat als een schoolfrik de maat op de vleugel. Geen woord over de uitstekende techniek van Avramova.

Meer te spreken lijkt Rosen over de vertolking van de eerste twee delen uit de Derde sonate van Brahms door Lodewijk Crommelin. “Er gebeurt zoveel moois dat ik aarzel om kritiek te leveren.” Niettemin heeft hij een grote hoeveelheid suggesties die Crommelins interpretatie ten goede komen. Het lijkt een vorm van valse bescheidenheid als Rosen haast verontschuldigend zegt dat hij deze sonate nooit heeft gespeeld. Want als hij fragmenten voorspeelt, à vue, laat hij zelfs in de meeste lastige passages de tonen zingen; akkoorden zijn bij Rosen niet zomaar samenklanken, maar pilaren die de voortgaande melodielijn kunstzinnig stutten.

Rosen staat in direct verband met de romantische pianotraditie. Hij studeerde bij Moriz Rosenthal, een leerling van Franz Liszt, en bij diens echtgenote: Hedwig Kanner, ooit leerling van de fameuze Theodor Leschetizky. Op vierjarige leeftijd speelde Rosen de melodietjes na die zijn moeder op de piano studeerde. Hij was zes toen hij werd ingeschreven aan de prestigieuze Juilliard School of Music. Rosen debuteerde met een opname van de Etudes van Debussy in 1951, het jaar waarin hij bovendien aan de universiteit van Princeton promoveerde in de Franse literatuur.

Rosens interpretaties van de muziek van Brahms en Schumann zijn opzienbarend, maar omstreden vanwege de intellectuele benadering. Zijn vertolkingen van de muziek van Bach daarentegen worden alom geroemd, wat eveneens geldt voor de late sonates van Beethoven, het pianowerk van Schönberg, de sonates van Pierre Boulez of het werk van Elliott Carter. Rosen is een veelzijdig pianist, maar bekommert zich amper om minor composers.

Dat geldt ook voor de boeken die hij schrijft. Rosen is auteur van een klein, maar scherpzinnig muziekwetenschappelijk oeuvre. Behalve een boek over Schönberg publiceerde hij ook een uit de hand gelopen lemma dat in de The New Grove Dictionary had zullen verschijnen, Sonata Forms. Met The Classical Style werd hij beroemd en nog niet zo lang geleden verscheen een bundeling van lezingen die hij hield aan de Harvard universiteit, The Romantic Generation. De waarde van deze beide laatste boeken is vooral gelegen in het feit dat deze de muziektheoretische analyse verre overstijgen en de vinger leggen op de moeilijk grijpbare aspecten die de kenmerken vormen van een bepaalde stijlperiode.

Rosen is een erudiet en bevlogen musicus. Dat zijn voordracht, donderdag in het Koninklijk Conservatorium, zich amper onder één noemer laat brengen is dan ook niet zo zeer te wijten aan improvisatorische ongestructureerdheid, maar is juist het gevolg van deze eruditie. Rosen verhaalt over hoe de tempo-aanduidingen steeds meer hun absoluutheid konden verliezen, waardoor de metronoom onontbeerlijk werd. Hij adstrueert aan de piano dat Mozart er domweg niet in slaagde eenvoudige muziek te schrijven, hij slaat een brug naar de ornamentatie in de muziek en in het vragenuurtje kaatst hij voor de vuist weg tal van opusnummers, metronoomcijfers en maatnummers door de zaal.

De historische muziekpraktijk heeft in Rosen een volhardend criticus. Diderot en De Sade haalt hij aan om te onderstrepen dat de geschiedenis zich niet in haar eigen termen laat verklaren. Negeren van datgene wat er sinds het ontstaan van een compositie is gebeurd, is rigide. Beethoven speelde zijn muziek weliswaar op een fortepiano, maar stuitte telkens op de grenzen van de mogelijkheden van het instrument. Daarbij schreef Beethoven speelwijzen voor die in zijn tijd onmogelijk, zelfs onzinnig waren, maar die op een Steinway wel kunnen worden gerealiseerd.

Dat je een componist slechts tot op zekere hoogte serieus moet nemen, bewijzen ook de matige uitvoeringen die Stravinsky als niet professioneel dirigent van zijn eigen werk dirigeerde. Wie deze als maatstaf neemt en alle briljante, maar latere vertolkingen negeert, zoals in de historische uitvoeringspraktijk steevast gebeurt, die is dom - volgens Rosen.