Wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging

Wie aandelen koopt of verkoopt betaalt zijn bemiddelaar een provisie die afhangt van de omvang van de order: aantal aandelen x koers. Voor honderd fictieve aandelen XYZ koers 50 gulden betaal je zo tussen 0,6 procent en 1,9 procent: 30 tot 95 gulden. Die percentages verschillen per bank en per beursdienst (via een adviseur of via een pc), en hangen af van de ordergrootte.

Voor de kleinste orders gelden de hoogste percentages, voor de grootste de laagste. Oplopende koersen geven zo de bank automatisch meer provisie dan dalende, hoewel de dalende percentages het effect van de hogere koersen iets temperen.

Voor optie-orders gelden vaste bedragen per contract. Die hangen af van de koers (boven of onder 1,50), het aantal contracten en soms de soort transactie (openen of sluiten). Eén openingscontract (één contract slaat op 100 aandelen) XYZ, koers 1,00, kost van 9,00 tot 15,00 gulden, afhankelijk van bank en soort dienst. Eén sluitingscontract kost dan de helft.

Door die vaste provisie per contract, ten dele afhankelijk van de optiekoers (de grens van 1,50), profiteren de banken net als de beurs buitensporig van het fenomeen splitsing van aandelen.

Dit jaar is of wordt de nominale waarde (en dus de koerswaarde) van onder meer ABN Amro, Ahold, Hagemeyer, Koninklijke Olie en Unilever verkleind. Een aandeelhouder ABN Amro kreeg voor een oud aandeel vier nieuwe met een kwart van de koerswaarde, die van Ahold drie nieuwe voor een oude, en van Nutricia vijf nieuwe voor een oude. Per saldo schiet je daar niets mee op: je bezit wel meer stukken, maar die zijn in verhouding minder waard.

Bedrijven hopen dat die optisch lager geprijsde aandelen meer kleine beleggers trekken, meer omzet genereren en daardoor meer liquide zijn. Tijdelijk kan dit ook de koers opdrijven, maar de werkelijke waarde van het bedrijf verandert natuurlijk niet door deze operatie. Voor de aan- en verkoopprovisie (op aandelen) maakt het niets uit.

Ook de houders van opties zien hun contracten in aantal vermeerderen, en de optiekoers in verhouding dalen. Een waarde-neutrale mutatie. Voor de provisie zijn de gevolgen opzienbarend. De koper van een (1 op 4 gesplitste) optie XYZ koers 1,00 moet nu vier opties kopen om hetzelfde optierecht te verkrijgen. Hij betaalt daarvoor niet tussen de 9 en 15 gulden, maar in totaal 36 tot 60 gulden doordat de bemiddelaars hun tarieven niet blijvend verlagen voor gesplitste opties. Een geruisloze tariefsverhoging van 300 procent!

Hoe werkt deze haast bijbelse vermenigvuldiging der broden in theorie uit op de provisie-inkomsten van bemiddelaars (en de beurs in mindere mate) in XYZ, waarin bijvoorbeeld 1 miljoen contracten per jaar worden verhandeld? Vóór de splitsing 12 miljoen gulden -12 (gemiddelde van 9 en 15 gulden) x 1 miljoen- en daarna 48 miljoen -12 x 4 miljoen opties.

Dit verschijnsel doet zich al voor sinds er aandelen worden gesplitst, maar niet eerder werden er, tengevolge van de hausse, zovele aandelen gesplitst in zo'n korte tijd. De omzetten in aandelen en opties moeten, om ze zuiver te kunnen vergelijken met voorgaande jaren, dus ietwat verlaagd worden.

Wat moeten de bemiddelaars meer doen na de splitsing? Misschien meer kleine optie-orders verwerken en die leiden tot een iets grotere druk op de administratie. Maar dat rechtvaardigt die hogere kosten niet.

Wat krijgen particulieren terug voor die hogere provisie, waarvan ze zich niet eens bewust zijn? Niets. Integendeel de Optiebeurs lijkt de tienduizenden buisbeleggers, die zich laven aan Teletekst, van zich te vervreemden. Tot nu toe ontvingen die actieve optiejunks, waardoor de beurs groot is geworden, vier keer per uur via de televisie gratis verse optiekoersen. Daardoor konden ze snel reageren op veranderingen in de koersen.

Die service heeft de beurs teruggedraaid. Men verzendt de koersen nu, zes maal per uur, maar met een vertraging van een kwartier. Om in de pas te lopen met de Effectenbeurs, wordt als reden opgegeven. Hoewel daar geen enkele reden voor is: met zo'n batterij computers kan deze rijke beurs alle kanten op. Verscheidene lezers reageerden boos op die achteruitgang: juist de Optiebeurs stond bekend om zijn vriendelijke houding tegenover particulieren. Na de fusie tussen Optiebeurs en Effectenbeurs lijkt die houding te veranderen. De directie praat en doet alsof de beurs een onderneming is die de omzet en winst ze hoog mogelijk op moet voeren. Maar de beurs is een niet-commerciële instelling voor beleggers en instellingen die geld nodig hebben. Als dat niet zo is, moet er een tweede beurs bijkomen om de concurrentie aan te wakkeren en de kosten te drukken. Zo gaat dat tegenwoordig.

Buisbeleggers die geen genoegen willen nemen met oude koersen, moeten zich beklagen bij hun bank of commissionair. Die kunnen invloed uitoefenen op het beursapparaat.