Wilsverklaring is wel degelijk zinvol

Onlangs wees Renée Braams er op deze plaats op dat de invloed die je door middel van een schriftelijke wilsverklaring kunt uitoefenen op je eigen levenseinde, nogal overschat zou worden (NRC Handelsblad, 11 september). Ik weet niet waarop haar scepsis berust, maar zeker nu zij de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE) aanwijst als bron van 'het enthousiasme voor wilsverklaringen' voel ik mij aangesproken om te reageren.

Braams belangrijkste bezwaar tegen wilsverklaringen is dat zij artsen in een 'conflict van plichten' kunnen brengen. Zo zou je volgens haar van een arts niet kunnen vragen om een tevreden demente met longontsteking géén antibiotica te geven, ook al heeft die persoon dat twintig jaar eerder zo uitgedacht en op papier vastgelegd. Voorts zegt zij dat artsen hun beleid baseren op de lichamelijke en geestelijke conditie van de demente persoon, met wie zij nu te maken hebben: zo werkt men nu in verpleeghuizen, en zo hoort het, vindt zij.

Op Braams' stellingen valt heel wat af te dingen. Zij ziet over het hoofd dat de wet voor elke medische behandeling de toestemming eist van de patiënt of diens vertegenwoordiger. Wanneer de patiënt die toestemming niet (meer) kan geven, zijn opvattingen schriftelijk heeft vastgelegd toen hij nog tot een redelijke waardering van zijn medische belangen in staat was en deze opvattingen een weigering van toestemming inhouden, dan moet zo'n 'behandelverbod' worden opgevolgd, aldus de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst van 1994.

Dat betekent voor de demente patiënt van Braams dat zijn wilsverklaring de antibioticakuur blokkeert, zodat van de arts verwacht moet worden dat hij die in de kast laat. In het algemeen schendt een behandeling tegen de uitdrukkelijke wil van de patiënt namelijk zijn lichamelijke integriteit. Behandelt de arts toch, dan is hij daarvoor tuchtrechtelijk, civielrechtelijk (eventuele schadevergoeding) en mogelijk zelfs strafrechtelijk ('mishandeling') aansprakelijk. Weliswaar zegt genoemde wet ook dat de arts van een schriftelijk behandelverbod mag afwijken wegens 'gegronde redenen', maar die uitzondering betreft bijzondere gevallen. De longontsteking van onze demente patiënt valt daar zeker niet onder.

Voor zover Braams stelt dat artsen in verpleeghuizen hun beleid baseren op de lichamelijke en geestelijke conditie van de demente persoon, met wie zij nu te maken hebben, miskent zij dus de door de wet geëiste toestemming. Zoals zij het ziet, hoort het zeker niet.

Maar ik proef méér in wat Braams schrijft, namelijk de stelling dat de demente patiënt van nu niet meer dezelfde persoon zou zijn als toen hij zijn wilsverklaring schreef. Die stelling wordt in medische kring soms verkondigd, vooral wanneer het eerbiedigen van een wilsverklaring niet goed voor de patiënt heet te zijn. Het recente boek Medisch handelen rond het levenseinde bij wilsonbekwame patiënten van de artsenorganisatie KNMG rekent met deze theorie af door op te merken dat daarover niet alleen geen consensus bestaat, maar dat bovendien het recht er niet of nauwelijks aanknopingspunten voor biedt. Met andere woorden: dit bedenksel houdt geen stand tegen een schriftelijke wilsverklaring.

Braams geeft aan dat de patiënt zijn medische inzichten voor het geval hij dement zou worden al twintig jaar eerder had vastgelegd. Als zij daarmee suggereert dat hij in die tijd van opvatting kan zijn veranderd en dat het dus niet zeker is of hij er nog steeds zo over denkt, merk ik het volgende op. Mensen die hun medische wensen op het punt van hun levenseinde in een schriftelijke wilsverklaring vastleggen, lopen inderdaad het risico dat hun opvattingen veranderd zijn wanneer die wilsverklaring actueel wordt, en dat zij die op dat moment niet meer kunnen uiten. In de door de NVVE uitgegeven wilsverklaringen aanvaardt de ondertekenaar dat risico. Dat schuift de discussie of hij er later 'nog steeds zo over denkt' opzij.

Het kan ook zijn dat Braams' verwijzing naar de ouderdom van de wilsverklaring betekent dat het niet zeker is of de patiënt nog dezelfde opvattingen heeft nu hij zijn wilsverklaring kennelijk niet om de paar jaar heeft 'herbevestigd'. Die opvatting is in medische kring nogal eens te horen, maar zij vindt noch in de wet, noch in de rechtspraak steun. Schriftelijke wilsverklaringen blijven geldig zolang ze niet zijn gewijzigd of ingetrokken.

Anders dan Braams stelt hebben schriftelijke wilsverklaringen dus als regel wel degelijk invloed op het einde van je leven. Zeker geldt dat voor de eerder besproken behandelverboden, want die zijn wettelijk 'keihard'. In (veel) mindere mate geldt dat voor euthanasieverklaringen, aangezien een arts niet verplicht is aan een verzoek om euthanasie te voldoen.

Maar ook al zijn euthanasieverklaringen juridisch niet af te dwingen, waardeloos zijn ze allerminst. Dat blijkt uit de praktijk: in de gemelde gevallen van euthanasie is er hoogst zelden géén schriftelijke wilsverklaring. Ze zijn dus ten zeerste aan te bevelen, zoals psychiater Chabot al eerder betoogde in deze krant.