Weer thuis

Met Marko (38) en met Lazo (55) rijd ik terug naar Nederland. Marko is vijf jaar geleden naar Nederland gevlucht, met vrouw en kind - hij was nu in Bosnië om zijn moeder te bezoeken. Lazo is ook een vluchteling maar hij is van Zenica, moslimstad, naar Doboj gevlucht, in de Servische Republiek - hij reist mee omdat zijn broer die sinds vijf jaar in Nederland woont, een auto voor hem gekocht heeft, die hij wel zelf moet komen ophalen.

Dat Lazo - Bosnische Serviër - naar Nederland kan afreizen dankt hij aan zijn vrouw, een Bosnische Kroate. Want via haar heeft hij een Kroatisch paspoort gekregen. Het paspoort van de Bosnische Serviërs wordt door geen land ter wereld erkend. Marko is een Bosnische Kroaat, heeft ook een Kroatisch paspoort, en een Nederlandse verblijfsvergunning. Binnen niet al te lange tijd zal Marko formeel Nederlander zijn, al spreekt hij nog nauwelijks een woord Nederlands.

Marko is invalide. Zijn rechterbeen is sinds zijn tiende jaar, toen de dokter hem, volgens Marko zelf 'een verkeerde injectie' gaf, niet veel meer gegroeid. Hij draagt een ijzeren beugel om zijn been en een schoen met plateauzool; zijn rechtervoet gebruikt hij alleen voor het gaspedaal. Remmen en de koppeling intrappen doet hij beide met zijn linkervoet. Hij kan dus niet op de motor afremmen en wanneer hij ziet dat ik dat wel doe, zegt hij: 'Alle Nederlanders rijden hetzelfde'.

Als iemand positief is over Nederland, dan is het Marko. “Nederland heeft mij veiligheid en zekerheid gegeven, en daar zal ik Nederland altijd dankbaar voor blijven.” Veiligheid en zekerheid betekenen: een appartement en een uitkering. En, natuurlijk, vrede.

De vluchteling Marko doet in Nederland niets, is misschien ook veroordeeld tot niets doen, maar Lazo is boer, sinds hij in Doboj woont. Hij houdt kippen, varkens en een koe op zijn erf en verbouwt zelf zijn groenten. Hij was garagehouder en automonteur in Zenica, en helpt nog af en toe zijn zoon, die in Doboj een garage geopend heeft. In de auto slaapt Lazo bijna voortdurend.

Maar als wij Nederland binnenrijden, blijft Lazo wakker. Nederland is mooi in het licht van de ondergaande zon. Op de weilanden liggen zwartbonte koeien te herkauwen. Lazo bekijkt ze met aandacht. “Ze blijven de hele winter buiten”, roept Marko van achter het stuur. “En ze worden gemolken met machines!” En, nog mooier, de koeien komen zelf naar die machines toelopen. En ze geven dagelijks maar liefst 20 liter melk.

“Anna geeft vier liter”, merkt Lazo over zijn eigen koe op.

“Maar hier krijgen ze extra eten, met vitamine. Een computer berekent hoeveel iedere koe nodig heeft.” Lazo is onder de indruk - dat wist hij niet - en Marko vertelt enthousiast verder: dat de wegen hier beter zijn dan die in heel Europa, en dat alle wegen 's avonds verlicht zijn. Dat Nederlanders afval niet op straat gooien, “dat doen alleen de buitenlanders in Nederland”. En dat de Nederlanders een dijk hebben gebouwd tegen de zee van wel 40 kilometer lang, waar je met de auto overheen kunt rijden.

Maar als wij in het wegrestaurant 12 gulden moeten betalen voor drie 'grote' koppen koffie, merkt Lazo hoofdschuddend op: “Kilo pecenja”. Voor die 12 gulden hadden wij in Bosnië een kilo aan het spit gebraden vlees kunnen kopen, lam of big.

Die twee woorden van Lazo zijn genoeg om, nu al, heimwee naar Bosnië in mij te wekken. Kilo pecenja. Dat land met zijn hooibergen overal, met zijn groene bergen, waar je als wandelaar nog alleen kunt zijn met de boerenbevolking. Dat land waar men werkt om te overleven, waar het erom gaat 'goed te eten, goed te drinken, goed te slapen'. Ik ben mij eraan gaan storen, zeker, aan die boerse eenvoud en de bijna volstrekte afwezigheid van iets dat verder gaat dan 'goed eten, goed eten en goed slapen'. Aan het domme nationalisme, aan de kapotte huizen en de gehavende gebitten, aan het maar laten aanrommelen van kinderen.

Ik ben ook bang geworden voor Bosnië, bang vooral, nu mijn nieuwsgierigheid bevredigd is, voor die 750.000 ongeruimde landmijnen. Ik zal er niet meer gaan wandelen, want zo lang als ik leef, zullen in Bosnië nog mijnen liggen. En ik heb mijn geluk nu wel voldoende beproefd.