Tuinvervuiling

In het zuiden van Frankrijk deze zomer luisterden we dag en nacht naar het concert van krekels, boomkikkers en andere lawaaiige schepsels, een bescheiden voorstudie van het lawaai dat je in de tropen hoort wanneer de duisternis invalt. Na een poosje ben je er aan gewend. Maar in de tuin van Villa Ephrussi de Rothschild, op het schiereiland St Jean-Cap Ferrat, kreeg ik een praktijkles ecologie.

De aanleg bestaat uit zeven verschillende tuinen: de hoofdtuin formeel Frans, ontworpen om op een oceaanstomer te lijken, omgeven door een Japanse, een Spaanse, een Florentijnse en nog een paar andere exotisch geïnspireerde tuinen. Toen ik, komend van de rozentuin, de hoek omsloeg naar de jardin provençal werd ik mij bewust van een geluidseffect: in die provençaalse tuin waren krekels. Het was niet eerder tot mij doorgedrongen dat die er niet waren in de andere tuinen; er stonden daar niet-inheemse planten en daar heerste de stilte.

Geluid is in de tuin nauwelijks minder belangrijk dan de beplanting; een tuin situeren naast een lawaaiige fabriek zou even onbezonnen zijn als hem volzetten met zevenblad. Maar zoals er soorten onkruid bestaan waar gemakkelijker mee valt te leven dan andere, zo is er ook lawaai en lawaai; het feit dat sommige geluiden 'natuurlijk' zijn maakt ze iets gemakkelijker te dulden. Sommige mensen kunnen zich niettemin hevig ergeren aan opgewonden vogelgekrijs als ze proberen te werken; ik herinner me een vriendin die mij vertelde hoe ze schrok toen zij, bezig in haar tuin, een vreedzame groene oase midden in een grote wereldstad, haar man hoorde roepen: 'Stop that bloody blackbird making all that noise!' Ze had het zelf niet eens gehoord.

Ik heb geen hekel aan merels maar wel aan duiven; we hebben een paar dat elk jaar met veel lawaai en gefladder in de beuk nestelt; ze maken heel irritante geluiden, een soort brommen, urenlang. Het zijn hinderlijke vogels; ik herinner me een duivenpaar dat woonde in de luchtkoker van het gebouw waar ik werkte, in Parijs, en daar de hele middag mompelde, blijkbaar zonder iets gedaan te krijgen, of in elk geval zonder dat er enige verandering optrad in hun geluid. Er was in dat gebouw ook een hond die blafte als hij alleen was, of dat veronderstel ik: je kon je niet indenken dat er iemand in huis was zonder hem met een doek om zijn bek tot zwijgen te brengen.

Mezen schreeuwen soms allemaal tegelijk, bij ons doen ze dat in de pereboom als die in bloei staat; maar het gekwetter van de mees is niet luid genoeg om echt storend te zijn, het klinkt alleen maar achterlijk, zoals schapen. We hadden onlangs een Vlaamse gaai in de tuin; hij had een hese en agressieve roep, en was er duidelijk op uit om een of ander klein beestje dood te sarren. Maar verrassend genoeg hield hij zijn bek toen hem dat bevolen werd; ik kon hem niet helemaal zien, maar de kat wel, en die keek gefascineerd in de pereboom naar boven: 'Nu ophouden!' riep ik omhoog, en hij gehoorzaamde.

Onnatuurlijke geluiden, dat is iets anders. Er placht in het laantje achter onze tuin een of andere machine te zijn die niet wilde starten; hij ging van ehuh-ehuh-ehuh, eindeloos opnieuw. Ook was er het gieren van een elektrische zaag, van tamelijk dichtbij. Het huis naast ons werd gerenoveerd, maandenlang, door mannen met harde stemmen en transistorradio's; soms zongen ze met de muziek mee, maar toen ik er eens heen ging om te vragen de radio zachter te zetten vond ik een tafereel als aan boord van de Marie Céleste: geen sterveling te zien, met de radio die stond te blèren tegen zichzelf. Wat ook gebeurt is dat de chartervliegtuigen uit Schiphol op zondagochtend een speciale omweg langs ons huis maken om steil de hoogte in te gaan boven onze tuin.

En dan heb je natuurlijk ook de kerkklokken: de protestanten te ener zijde en de katholieken ter andere, voor ons alleen hinderlijk als ze tegelijk beginnen te beieren. Wanneer logés beginnen uit te weiden over de structuur van het luiden concluderen wij dat zij vele uren wakend hebben doorgebracht, waarin ze het verschijnsel hebben bestudeerd. Ook het orgel van de kerk kunnen we horen, en de psalmen die op zondag worden gezongen, die ons weemoedig stemmen: dit zijn geluiden die beschermd moeten worden.

We werden eens uitgenodigd een tuin te bezoeken aan het Rapenburg; een gigantische tuin, ontstaan uit een combinatie met die van belendende woningen, en gezien van binnenuit het huis van een verbluffende schoonheid. Toen we de tuin ingingen bleek dat de lucht gevuld was met harde popmuziek uit nabije studentenhuizen; we stonden daar onze monden naar elkaar te bewegen als in de school van Marcel Marceau. Er is onder die omstandigheden niet veel dat je kunt doen, afgezien van stikken van woede en razernij. Een vriend van ons vertelde hoe hij, gehinderd door de radio van de buren in de tuin, ging vragen of het wat zachter mocht, en de jongedame tot wie hij de vraag gericht had zette het toen juist nog harder; ook nu nog, en hoewel het mij niet zelf is overkomen, vervult mij dat nog steeds met moordlustige gedachten.

Ik kocht een elektrische rand-trimmer voor de graspaadjes in mijn volkstuin: het leek een briljante ingeving, maar het apparaat is zo luidruchtig dat ik het haast niet durf te gebruiken; tenslotte is het beste van de volkstuin dat het er zo stil is. Maar gelukkig, er is tenminste één ander onoplosbaar probleem dat ik niet heb, waarover ik eens heb gelezen: de klacht van de eigenaar van een voor bezoekers opengestelde tuin. Konden de bezoekers aan zijn tuin, zo vroeg hij polemisch, geen kleuren dragen die er niet mee vloekten? Iedereen kon toch zien dat glinsterend oranje en paars niet pasten in het zorgvuldig gekozen kleurschema van zijn planten?