Slimmerikjes vooruit!

ALS THIJS [9] de map van de plank pakt om een nieuwe opdracht uit te zoeken leest hij hardop: 'Opdrachten voor hoogbegaafde kinderen'. “Hé”, roept hij naar de anderen, “zijn wij hoogbegaafd?” Hij steekt de map in de lucht en laat een indianenkreet horen: “Joehoe!” Intussen zit Sander (9) samen met hulpvader Rob te bekijken wat hij voor de komende week als extra opdracht kan meenemen.

“Ik heb zin om iets uit te vinden”, zegt Sander. Na wat bladeren vinden ze de opdracht om een supersonisch voertuig te ontwerpen. Sander gaat geheel tevreden terug naar zijn klas. Juf Ada, die één middag per week naar basisschool 't Palet in Maarssen komt om met de bolleboosjes te werken, deelt aan Philip en Paul, beiden uit groep zeven, de 'Doe-kalender' uit. Daarin staan kleinere opdrachten die ze kunnen doen als ze met hun grote opdracht niet verder kunnen of weinig tijd hebben.

Elke dinsdagmiddag komen zo'n twintig leerlingen uit de groepen vijf tot en met acht naar het lokaal van Ada en Rob. Ze hebben allemaal een grote map onder hun arm, waarin de opdrachten zitten die ze op vrije momenten in de klas uitvoeren. In groepjes van vier à vijf kinderen worden de opdrachten besproken. Tommy (10) vertelt dat hij aan een eigen geheimtaal heeft gewerkt. Terwijl hij uitlegt wat hij bedacht heeft, zit Rutger (8) met glimmende oogjes ongeduldig op zijn stoel te schuiven. “Ik wil dat ook wel voor de volgende week”, zegt hij. “Ik weet al wat ik ga doen.” Als Ada vraagt hoe hij het dan gaat aanpakken reageert hij verbaasd: “Nee, dat vertel ik natuurlijk niet, het is toch een geheimtaal!” Ada complimenteert hem: “Groot gelijk, laat de andere kinderen volgende week maar uitzoeken hoe jouw geheimtaal werkt.”

Sommige kinderen zijn zo steengoed in dictee, dat ze er niets meer van kunnen leren, anderen zijn weer zulke snelle rekenaars dat ze maar de helft van de sommen hoeven te maken. Zij houden tijd over voor hun 'Ada-werk'. Ada Jacobs, voormalig remedial teacher op 't Palet en nu als vrijwilligster verbonden aan het experiment met de slimmerikjes, lacht zich suf om die benaming en vindt het bovendien te veel eer. Maar een officiële naam heeft het project nog niet, of het moet het 'Vooruit-clubje' zijn zoals leerkracht en locatiehoofd Joke Gaasbeek het aanduidt.

Op 't Palet maken ze zich niet zo druk over de naam van hun experiment dat de 'meer begaafde kinderen' moet behoeden voor verveling, gedragsproblemen en onderpresteren. Ze lopen er niet mee te koop, beloven ouders geen gouden bergen en benadrukken keer op keer dat ze zoekende zijn, maar wel met 'kleine stapjes' vooruit komen. Op een schoolbevolking van 120 leerlingen zijn er zo'n twintig kinderen die aanzienlijk meer aan kunnen dan het gemiddelde lesprogramma hun te bieden heeft. Sommige van deze kinderen zijn getest en hoogbegaafd bevonden, anderen zijn in elk geval bovengemiddeld slim.

Zo'n vijf jaar geleden werd het team van 't Palet voor het eerst met een hoogbegaafd kind geconfronteerd, althans met een moeder die het op zeer vasthoudende wijze voor haar zoon opnam. Het jongetje kwam steeds ongelukkiger uit school, maar de leerkracht merkte daar niets van, want 'in de klas werkte hij zo lekker'. De map met opdrachten voor hoogbegaafde leerlingen werd door de moeder geïntroduceerd en het team liet zich later bijscholen over hoogbegaafdheid. Directeur Ronald van Dorp herinnert zich het begin nog goed: “We dachten, da's leuk, we laten die jongen wat extra dingetjes doen. We hebben toen onderschat wat er allemaal aan vastzit als je echt iets voor je hoogbegaafde leerlingen wilt organiseren binnen de school.”

De praktijk blijkt weerbarstig te zijn, zo heeft het team de afgelopen jaren moeten ervaren. Het gaat hen namelijk niet om verrijking of verbreding van de bestaande leerstof - dat zit tegenwoordig in vrijwel elke moderne methode - maar om opdrachten die van een heel ander kaliber zijn. Een project over de architectuur van Rietveld, Berlage en Gaudi, een opdracht over ingewikkelde rekenconstructies waar zelfs de leerkrachten hun tanden op stuk bijten of over het bedenken van een eigen geheimtaal. Onderwerpen, kortom, waarvoor dezer kinderen al hun registers kunnen opengooien.

Eerst werden die opdrachten in de klas onder het toeziend oog van de groepsleerkracht uitgevoerd. “Maar dat werkte niet”, vertelt Joke Gaasbeek. “Hoewel deze kinderen meestal heel zelfstandig kunnen werken, hebben ze toch af en toe begeleiding nodig.” Daarvoor ontbrak de leerkracht de tijd, zo bleek. “De extra leerstof hebben we toen de klas uitgehaald en omdat we geen individuele kinderen op de gang wilden, hebben we besloten om ze twee tot drie keer per week apart in groepjes op te vangen.” Daar kwamen vragen over, zowel van kinderen als van ouders. Iedereen kon zien dat deze bolleboosjes met veel schik aan fantastisch leuke opdrachten bezig waren. De vraag: waarom zij wel en wij niet lag dus voor de hand. Het werd allemaal rustig uitgelegd en inmiddels is het een doodnormaal verschijnsel geworden.

Joke Gaasbeek: “Deze kinderen hebben het nodig flink uitgedaagd te worden en met moeilijke problemen worden geconfronteerd. Ze moeten leren knokken, anders mislukken ze in het voortgezet onderwijs.” Maar met de nieuwe aanpak in aparte groepjes buiten de klas waren de problemen nog niet de wereld uit. Ada Jacobs: “We merken dat kinderen niet altijd in de klas aan hun opdrachten toekomen, omdat ze van de leerkracht eerst het gewone werk moeten afmaken. Ze moeten het bij wijze van spreken verdienen.”

Het doel dat het team zich voor dit schooljaar heeft gesteld is dat het 'Ada-werk' een geïntegreerd onderdeel gaat vormen van het gewone schoolwerk. Dat vereist nogal wat souplesse van de leerkracht die gewend is volgens een vast schema de stof door te werken. Bovendien, hoogbegaafde kinderen presteren helemaal niet op alle fronten even briljant. Ze kunnen soms de eenvoudigste dingen veel minder goed dan hun klasgenoten, ze dreigen wel eens weg te zakken in een soort lethargie of vertonen juist lastig, veeleisend gedrag. Het vraagt veel van groepsleerkrachten om deze kinderen dan toch aan hun eigen opdrachten te laten werken, vindt directeur Van Dorp: “Het is nogal ruig wat je overhoop haalt. Eigenlijk stel je de hele organisatie van het onderwijs ter discussie.”

De ouders van de bolleboosjes komen ongeveer zes keer per jaar bijeen om te horen wat de school doet voor hun kinderen en om onderling ervaringen uit te wisselen. Dat werkt zeker voor de ouders die eerder op andere scholen zijn stuk gelopen erg goed, zo is de ervaring van de teamleden. “Laat ze maar meekijken”, zegt Van Dorp. “Ze kunnen dan zien waar onze grenzen liggen en waarom sommige dingen niet meteen lukken.” Als hij terugdenkt kan hij zo een paar oud-leerlingen voor de geest halen van wie hij nu denkt dat ze hoogintelligent waren. Er gebeurde niets mee en ze gingen onderpresteren of werden obstinaat. “We zijn veel alerter geworden”, zegt Joke Gaasbeek. “Nu zien we het meestal al bij de kleuters. Ze weten gewoon veel meer en kijken heel goed om zich heen.”