Presidentiële ambities van Amerikaanse vice-president Al Gore in gevaar; Nader onderzoek fondswerving in VS

WASHINGTON, 4 OKT. Het schandaal van de illegale werving van verkiezingsfondsen brengt de Amerikaanse vice-president Al Gore in een steeds lastiger parket. Het ministerie van Justitie en de FBI zullen de komende twee maanden nader onderzoeken of Gore tijdens de afgelopen verkiezingscampagne de wet heeft overtreden.

Minister van Justitie Janet Reno maakte gisteren bekend dat het eerste onderzoek van Gore's campagne-activiteiten, waar zij vorige maand toe besloot, een diepgravender vervolg krijgt dat maximaal zestig dagen mag duren. Dat onderzoek kan uitmonden in de aanstelling van een onafhankelijke aanklager, die een eventueel misdrijf kan vervolgen zonder ruggenspraak met de regering. Reno heeft nog tot 15 oktober de tijd om te besluiten of zij ook president Clinton aan een dergelijk vervolgonderzoek zal onderwerpen.

Gore heeft toegegeven dat hij vanuit het Witte Huis per telefoon geldschieters heeft gevraagd om bijdragen, terwijl de wet fondsenwerving in overheidsgebouwen verbiedt. Clinton zegt dat hij mogelijk zulke telefoontjes heeft gepleegd, maar dat hij het niet zeker weet. Volgens een voormalige medewerker van de president heeft Clinton in 1994 telefonisch geldschieters benaderd vanuit het woongedeelte van het Witte Huis.

Het vooruitzicht van een onafhankelijke aanklager baart de regering grote zorgen. Als een dergelijke aanklager eenmaal benoemd is, breidt het onderzoek zich meestal snel uit tot andere onrechtmatige gebeurtenissen of verdachte personen, wat jaren in beslag kan nemen. De onafhankelijke aanklager in de Whitewater-affaire, Kenneth Starr, is al meer dan drie jaar aan het werk. Voor de presidentiële ambities van Gore zou de aanstelling van zo'n aanklager een zware tegenslag zijn. Gore zegt dat hij niets heeft gedaan wat onrechtmatig was. Maar volgens opiniepeilingen heeft zijn reputatie van onkreukbaarheid nu al forse schade opgelopen.

De Senaat heeft de afgelopen week een wetsvoorstel in behandeling genomen om de regels voor fondsenwerving ingrijpend te herzien. Deze McCain/Feingold-wet, genoemd naar de Republikeinse en Democratische indieners, wordt gesteund door alle Democraten en vooralsnog slechts vier Republikeinen, wat onvoldoende is om hem aangenomen te krijgen. De wet verbiedt zogeheten soft money, de bijdragen die buiten de bestaande regels vallen, ongelimiteerd zijn en bij de afgelopen verkiezingen vele miljoenen dollars in de verkiezingskassen hebben gebracht. De Republikeinen profiteren het meest van soft money, en staan daarom in meerderheid negatief tegenover het wetsvoorstel. Maar omdat ze niet te kijk willen staan als verdedigers van een systeem dat volgens een groot deel van de publieke opinie nodig op de helling moet, schromen ze om botweg tegen te stemmen. Trent Lott, leider van de Republikeinse meerderheid in de Senaat, heeft daarom een amendement indiend dat als een “gifpil” de ondergang van het wetsvoorstel kan bewerken. Lotts amendement verbiedt vakbonden, doorgaans grote steunpilaren van de Democraten, om nog langer de contributie van de leden te gebruiken voor bijdragen aan politieke campagnes, zonder alle leden daar eerst toestemming voor te vragen. Daarmee zouden vrijwel zeker alle Democraten hun steun aan de wet onttrekken. De Republikeinen hoeven dan niet de geschiedenis in te gaan als de partij die hervorming van de campagnefinanciering heeft verhinderd. Volgende week zal de Senaat naar verwachting stemmen over het amendement en de wet.

Over de vele manieren waarop tijdens de afgelopen campagne de regels werden overtreden en omzeild, blijft de pers nieuwe onthullingen doen. The New York Times meldde deze week dat de Democratische partij meer geld aan reclamespotjes kon uitgeven dan de wet toestaat, door de dochterpartijen in de deelstaten 32 miljoen dollar aan de nationale campagne te laten besteden, geheel volgens voorschriften van het nationale hoofdkwartier.