Pasolini of knuffelklassiek

Knuffelklassiek. Ik weet zeker dat ik het heb horen zeggen. Het was in een reclamespot op de televisie, die wilde dat je bepaalde CD's ging kopen. “Knuffelklassiek voor met z'n tweetjes.” Zo was het.

Je hoeft klassieke muziek niet tot het verhevene of heilige te rekenen om dit toch één vulgarisering te ver te vinden.

Reclamemakers zoeken tegenwoordig hun heil nogal eens in het platvloerse. Zo is er ook een televisiespot voor een chocoladereep met een eigentijdse variant op de arts die het verkeerde been afzet. De arts zit met een patiënt te praten die kennelijk een transseksuele operatie heeft ondergaan. Het wordt duidelijk dat hij meneer De Boer en meneer De Vries heeft verwisseld. Als blijk van zijn ontzetting roept hij op Sjef van Oekelse wijze: “Nou, die is lekker!”, en bijt in zijn reep. “Ja, dat is zeker lekker!”, kraait de voice over. En die reclamemakers hebben dus bij hun verkennend marktonderzoek kunnen constateren dat er een aanzienlijke groep mensen is die dit buitengewoon koddig vindt.

Er wordt trouwens niet alleen plat gedáán, maar ook opvallende veel plat gesproken in reclamespots. Of er is juist sprake van een wonderlijke tongval die voor deftig moet doorgaan. Beide zijn om onnaspeurbare redenen bedoeld om de aantrekkelijkheid van het aangeprezen product te verhogen, maar beide zijn toch heus ook even lelijk om aan te horen. Nieuw is het Gooise zwoel van het meisje dat iets aanprijst dat de toekomst juist glashelder moet maken.

Behalve veel lelijks is er ook veel slechts te zien in de Nederlandse media, doordat in de samenleving als geheel nu eenmaal een uitgesproken moet-kunnen-klimaat heerst. Er valt een heel scala aan verschijnselen onder, die inhoudelijk van onvergelijkbare orde zijn, maar gemeen hebben dat zij de tolerantie voor het slechte en lelijke verbeelden.

Voor een lezing die ik kortgeleden moest houden hield ik twee weken bij wat ik alleen al met een half oog opving. De lijst was veel te lang, daarom een kleine bloemlezing. Een kunstwerk bestaande uit ingeblikte ontlasting van de kunstenaar. Een film waarin martelingen gedetailleerd worden getoond. Een modeontwerper die huiden van bedreigde diersoorten gebruikt en showt. Een openingsfoto in de krant waarop een man wordt geëxecuteerd. Een televisieprogramma waarin een man wordt wijsgemaakt dat zijn hond wegens dolheid moet worden afgemaakt, om op die manier een echte emotie te kunnen filmen. Een trend in modefotografie om de modellen als verpauperde junks te laten figureren. Een tijdschrift waarin een interview met twee mannen die uitvoerig over hun SM ervaringen vertellen. Een televisiespel waarin iemand midden in een winkelstraat bloot in een bak met satésaus gaat zitten om duizend gulden te verdienen.

Het moet allemaal kunnen. Niets hoeft verbloemd te worden. Nu hebben mensen altijd van elkaar geweten dat er meer in de wederzijdse hoofden omging dan naar buiten werd gebracht, dat er in de geheimenis van de persoonlijke intimiteit meer gebeurde dan men van elkaar zag en dat fantasieën zich niets aantrekken van wat in de realiteit als regel, norm en ideaal geldt. Schaamte en schuldgevoel weerhielden hen er echter van alle mogelijke slechtheid en lelijkheid ook altijd maar te tonen. Waarom dan nu in zo'n overdonderende hoeveelheid? En waarom laat met name het voor mensen zo kenmerkende schaamtegevoel zich zo in een hoek drukken? Is de huidige grofheid misschien nodig om binnen de veelheid aan prikkels die over mensen wordt uitgestort en die wellicht leidt tot afstomping, nog aandacht te kunnen trekken? Zo geldt als verdediging voor de platvloerse teksten van de recente anti-alcohol campagne dat slechts op die manier de jeugd nog te bereiken valt.

De etalage van het slechte en lelijke is in het huidige tijdsgewricht wel erg vol.

En helemaal verwarrend wordt het als het inhoudelijk afstotende gepaard gaat met schoonheid van vorm. Zo hangt momenteel in Amsterdam een poster van een van achteren gefotografeerde gebukte vrouw, gekleed in schaars, strak zwart en met armen en benen gehuld in lange, zwarte laarzen. Net als enige tijd geleden de plasseks poster is het beeld als foto prachtig. Maar is esthetiek voldoende om te moeten kunnen? Desnoods ten koste van de ethiek?

Nergens ter wereld is bijvoorbeeld de laatste film van Pasolini - Sal= uit 1975 - op de televisie vertoond, alleen in Nederland, afgelopen zondag door de VPRO. “In ongecensureerde vorm de wereldpremière op de buis”, meldt de gids trots. Nog een citaat: “De walgelijkste, goorste, meest choquerende film die u ooit zult zien.”

Waarom moet dat dan kunnen? Is er een naïef geloof dat als je alles nu maar in volle vulgariteit en kwaadaardigheid laat zien het zijn abjecte uitwerking verliest? Bij Sal= zou het blijkens het artikel in de gids gaan om “de boodschap: macht corrumpeert”. Geen nieuwe gedachte en zelfs één die in het algemeen is aanvaard, zodat het niet nodig is die met uiterste middelen aan de man te brengen. Er is bij mijn weten ook geen empirisch onderzoek dat aantoont dat onverbloemde, echte en openhartige verbeelding van het allerslechtste letterlijk zó weerzinwekkend is, dat het mensen bekeert tot het goede. Het tegendeel is overigens ook niet bewezen.

Ik zag slechts enkele flitsen van Sal=. Voldoende om de filmische schoonheid te zien en om vol weerzin het toestel uit te zetten. Dan desnoods nog liever knuffelklassiek, ook weerzinwekkend, maar draaglijker. Er is nu eenmaal afkeer in soorten en maten.