Oud en grijs

Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) rapporteert op gezette tijden over de demografische ontwikkelingen in Nederland. Wat daarbij wordt gemeld is natuurlijk nooit echt nieuw; voor ons allemaal geldt namelijk dat we elk jaar een jaartje ouder worden. Interessant zijn dan ook niet zozeer de feiten die worden gerapporteerd alswel de commentaren daarop.

Geen sector is zo vergrijsd als het onderwijs, maar dat schijnt nooit iemand te hebben gedeerd. Waarom dan nu ineens volop aandacht voor de vergrijzing van leraren? Omdat het gaat om een fenomeen dat ook in andere sectoren problemen dreigt te gaan geven. Dan kom je er niet onderuit het onderwijs als meest vergrijsde sector op z'n minst te noemen.

Eerst enkele wetenswaardigheden omtrent de situatie in het onderwijs. Van de docenten basisonderwijs is ongeveer de helft veertig jaar of ouder. De mannen die er werken zijn, op een enkele uitzondering na, veertigers en vijftigers en hebben, in tegenstelling tot de vrouwen, vrijwel allemaal een full time-baan. Dat betekent dat van alle werk veel meer wordt gedaan door aankomende grijsaards dan hun aandeel suggereert. Zij bezetten bovendien het overgrote deel van de directiefuncties. Geen doorstroming, geen promotiekansen voor de jongeren, en, nog erger, een sector die wordt geleid door een leeftijdscategorie waarvan je steeds moeilijker kunt verlangen dat die de rol vervult van inspirator waar elk team behoefte aan heeft.

In het voortgezet onderwijs is het allemaal nog een paar graadjes erger. Eenderde deel van de docenten daar is vrouw. Zij zijn sterk oververtegenwoordigd onder de jongeren en werken in het algemeen part time, terwijl ook hier de mannen voor voor het overgrote deel full time werken. Die mannen zijn voor meer dan de helft zo'n vijftig jaar of ouder. De ouderen houden de in aantal gelimiteerde hogere salarisschalen bezet, zodat daar voorlopig geen ruimte is voor jongeren. En, alsof het allemaal nog niet erg genoeg is, het onderwijs kent nu al zo'n jaar of tien een vrijwel permanente fusiegolf. Met als gevolg onzekerheid en leren functioneren in een andere organisatie met een andere cultuur. Dat zijn zaken waarin ouderen doorgaans niet bepaald uitblinken. Als gevolg van die schaalvergroting is bovendien het aantal leidinggevende functies drastisch gedaald.

Als je deze cijfers kent, is het wrang te lezen dat het feit dat in het jaar 2010 ongeveer eenderde van de ambtenaren vijftig-plussers zal zijn, als probleem wordt ervaren. Uit de weergave van het NIDI-rapport in deze krant: “Deze ontwikkeling leidt in principe tot een toename van het gemiddelde functieniveau, omdat ouderen nu eenmaal vaker in een hogere functie zitten dan jongeren. Dat betekent wel dat als de functiestructuur verder gelijk blijft, de mogelijkheden worden beperkt voor jongeren en nieuw personeel om door te stromen naar hogere functies. Daarmee zou de rijksoverheid als werkgever wel eens flink aan populariteit kunnen inboeten.”

Aan populariteit inboeten vanwege de beperkte promotiekansen, een probleem, maar nooit heb ik gelezen dat het iemand zorgen baarde dat de helft vijftig-plussers in het voortgezet ondewrijs rampzalig zou zijn voor de carrièremogelijkheden daar.

Gelukkig zal ook hier op termijn sprake zijn van rechtvaardigheid: als gevolg van de radicale vergrijzing staat het voortgezet onderwijs straks een even radicale verjonging te wachten. Omstreeks 2010 wordt onderwijs een jeugdige, swingende sector, benijd door het gros van de Nederlanders die dan gebukt gaan onder de loodzware last van een loodgrijze werkomgeving. Op compassie van leraren met hun lot hoeven ze niet te rekenen.