Onderwijs op maat haalt volgens deskundigen niveau naar beneden; 'Rekenles moet weer klassikaal'

Leerlingen krijgen steeds vaker individueel onderwijs. Een ontwikkeling die funest is voor het niveau van het onderwijs, menen de rekendeskundigen A. Treffers en M. van den Heuvel-Panhuizen.

UTRECHT, 4 OKT. Voor praktisch ieder probleem op basisscholen dragen de bewindslieden voor onderwijs en de Onderwijsinspectie tegenwoordig de 'slogan' Onderwijs op maat als oplossing aan: elk kind moet in zijn eigen tempo werken, met de neus in zijn schrift of achter een computerscherm. “Die ontwikkeling is funest”, zeggen rekendeskundigen A. Treffers en M. van den Heuvel-Panhuizen. Vanuit het internationaal gerenomeerde rekenkundig onderzoekscentrum het Freudenthalinstituut slaan ze alarm: “Alleen met klassikale lessen - waarbij de groep samen problemen oplost - blijft ons onderwijs op het hoge niveau dat we in internationaal opzicht hebben.”

En al helemaal in het rekenonderwijs, zeggen de rekenles-ontwikkelaars, die regelmatig het ministerie van onderwijs adviseren. Treffers: “In Engeland zijn ze in de jaren zeventig overgegaan op individueel rekenonderwijs, maar ze komen er nu van terug want de resultaten zijn desastreus. Wij moeten dus niet die richting inslaan.” Hij bepleit 'neo-klassikaal' onderwijs, wat inhoudt dat zowel zwakke als sterke leerlingen ideeën aandragen voor de oplossing van sommen. “Interactief heet dat. Niet zoals in de jaren vijftig toen alleen de meester sprak, tegenover een zwijgzame groep.”

Neem de som 75 min 48. “Er zijn talloze stappen waarin je dat kunt oplossen. Je kunt 75 min 50 doen en dan twee erbij optellen. Je kunt 75 min 40 doen en dan nog eens acht eraf trekken. Je kunt 75 min 45 doen en dan weer drie eraf trekken. Kinderen bedenken de meest creatieve oplossingen hoor!” En ze leren vooral van elkaar, zegt Van den Heuvel-Panhuizen. “Als iedereen de tijd krijgt om zijn berekening te bedenken en die vervolgens aan elkaar uitlegt, dan nemen ze die van elkaer over. De sterkste leerlingen zullen sneller sprongen maken naar grotere getallen en uiteindelijk sneller op de kortste rekenweg uitkomen. Maar het is verbazingwekkend hoe inzichten ook op zwakke leerlingen overslaan”, aldus Van den Heuvel-Panhuizen.

Het oprukken van de individuele onderwijs-gedachte schrijven ze toe aan de individualisering in de samenleving. “Leraren hebben moeite met het toenemend aantal niveauverschillen binnen eén klas en dus denken beleidsmakers: laat elk kind dan op zijn eigen houtje werken. De conclusie zou moeten zijn: we maken het collectieve onderwijs interessanter en bedenken lollige sommen”, vindt Treffers.

Al die individuele vorderingen binnen eén groep van dertig leerlingen kan een leraar nooit bijhouden, alleen al in organisatorisch opzicht, verzucht Van den Heuvel-Panhuizen. “Natuurlijk bestaan verschillen tussen kinderen, maar die moet je juist gebruiken om van elkaar te leren.”

Behalve vakinhoudelijk bezwaren tegen 'onderwijs op maat', voorzien ze pedagogische problemen. Treffers: “Kinderen leren zo niet dat iedereen weleens fouten maakt en dat dat geen schande is. En dat er altijd sterkere en zwakkere leerlingen zullen zijn dan jijzelf. Bovendien ontbreekt de communicatie als iedereen zelfstandig werkt.”

Ze roepen niet om een dogma, onderstrepen ze in het Freudenthalinstituut, ze vinden niet dat elke school bij klassikaal onderwijs moet blijven. “Maar de lijn die de Onderwijsinspectie nu volgt, is wel dogmatisch: elke school móet overgaan op individueel onderwijs, dat is de beleidslijn. Terwijl veel klassen wel varen bij groepsdiscussie over sommen”, aldus Treffers. Een uitzondering maken ze voor leerlingen die thuis niet hebben leren tellen of die dat in een andere taal leerden: dertig-en-zes in plaats van zesendertig. Treffers: “Alleen die kinderen behoeven extra, individuele aandacht.”